Excerpt for Verloren Harten by Luc Vos, available in its entirety at Smashwords

Verloren Harten



By: Luc Vos


*****

Published by: Luc Vos on Smashwords


*****


Copyright © 2012 door Luc Vos


*****


All rights reserved. Without limiting the rights under copyright reserved above, no part of this publication may be reproduced, stored in or introduced into a retrieval system, or transmitted, in any form, or by any means (electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise) without the prior written permission of both the copyright owner and the above publisher of this book.

This is a work of fiction. Names, characters, places, brands, media, and incidents are either the product of the author's imagination or are used fictitiously. The author acknowledges the trademarked status and trademark owners of various products referenced in this work of fiction, which have been used without permission. The publication/use of these trademarks is not authorized, associated with, or sponsored by the trademark owners.

*****

Smashwords Edition License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each person you share it with. If you're reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then you should return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the author's work.




Andere boeken van deze schrijver: www.lucvos.be


Uw mening is belangrijk: feedback@lucvos.be




De Bezoeker


Het gele licht van de volle maan wierp slechts een zwakke schemering op de wankelende man. Fletser dan in vroegere tijden. Het leek wel of ook deze satelliet een stuk van haar kracht verloren was sinds 'die vreselijke dag'.

Met veel moeite bleef de vreemdeling overeind. Langzaam voort schuifelend. Niet duidelijk of hij dronken, ziek of gewond was. Het enige zekere, was dat hij niet stabiel op zijn benen stond.

De vuile straat waar hij zich voetje voor voetje een weg door baande, lag er volledig verlaten bij. Zoals meestal op dit nachtelijke uur in dit deel van de stad. Ieder wezen dat zijn leven nog niet moe was, wist dat het beter was de oude arbeiderswijk in de buitenwijken van deze stad te vermijden.

Sinds de 'grote oorlog', de laatste der alle oorlogen, was dit stadsdeel uitgeroepen tot te mijden zone voor alle 'normale' mensen.

Het was hier dat het virus voor het eerst verspreid was. Het was hier, in deze eens zo drukke wijk, waar het voor de oorlog dag en nacht gonsde van bedrijvigheid, dat de terroristen hun vuile wapen losgelaten hadden.

Het was hier dat deze moordenaars gehoopt hadden dat het virus zich razendsnel zou verspreiden. Het was hier dat ze gelijk gekregen hadden...

Binnen twee dagen na de eerste verspreiding van het virus was negenennegentig procent van de bevolking verdwenen. Dood. Verteerd door het vuilste en meest agressieve virus dat er ooit bestaan had. Organen en ingewanden weggevreten. Beenderen verpulverd, de lichamen in elkaar gezakt als een pudding. Bloedend uit alle openingen. Bestaande en nieuw gevormde openingen. Een dikke, stroperige stroom bloed, tergend traag naar buiten stromend, alsof het hele proces bewust verlengd werd. Om de pijniging zo lang mogelijk te laten duren.

Enkel de hersenen werden tot het laatst bewaard. Op een onverklaarbaar wrede manier werden die als laatste tot poeder herleid. Zodat de slachtoffers hun eigen ontbindingsproces op een vreselijk heldere en bewuste manier meemaakten. Elk deel van hun lichaam voelden ze verdwijnen, vergaan en vernietigd worden. Elk brekend bot voelden ze verkruimelen. Elk orgaan dat in elkaar kromp, stuurde zonder ophouden pulsen naar de hersenen. Pijnscheuten, bovennatuurlijke schichten van pijn.

Zonder de kracht of de mogelijkheid te hebben om er zelf een eind aan te maken. Zonder enige kans op ontsnapping aan deze nooit eerder vertoonde foltering. Alle kracht verdwenen uit het vormeloze en beenderloze lichaam. Tot de hersenen knapten. Tot het licht voorgoed uit ging.

Een buitensporig pijnlijke dood die geen zinnig mens zijn ergste vijand toewenste. Maar een straf die iemand de inwoners van deze steden wel toegewenst had.

Maar – oh ironie – het was ook een propere dood. Nadat het laatste zuchtje leven uit de gepijnigde en gefolterde lichamen verdwenen was, ging het ontbindingsproces in hoog tempo verder. De lichamen verteerden en verkruimelden volledig. Vergingen tot stof en as. Lieten niet meer over dan een hoopje gruis. Virus vrij. Schadeloos. Zelfs het weggestroomde bloed was niet meer dan een dun streepje rood stof. Dat bij het eerste briesje verspreid werd om nooit opnieuw schade aan te richten.

Geniaal voor zij die na het voorbijtrekken van het virus hier naartoe wilden komen. Perfect voor de 'genieën' die dit meesterwerk gepland hadden en hier hun nieuwe thuis wilden maken.

Geen opruim werk, geen rommel, geen rotzooi. Integendeel, een propere stad om zich in te vestigen.

Op één detail na. Het was een geniaal plan, ware het zo geweest dat de verspreiders van het virus zelf niet ziek geworden waren. Maar dat deden ze wel. Het virus greep veel sneller om zich heen dan zij ooit hadden kunnen voorspellen. Het maakte gebruik van elk levend wezen als drager en verspreider. Het ging verder de wereld rond dan ze ooit voor mogelijk gehouden hadden. Elk dier, elk insect, zelfs de stampers van bloemen verspreiden het virus.

Met als gevolg dat binnen vierentwintig uur het virus de wereld rond was. En niemand de tijd had om te vluchten, noch de gelegenheid om een plaats te zoeken waar het virus niet kon komen.

Zij die niet direct ziek werden, waren zo snel mogelijk naar het platteland gevlucht. Al was ook dat voor de meesten slechts uitstel van executie geweest. Er was geen plaats op aarde waar het virus niet voorbij kwam. Geen enkele plaats... Er was geen hoop op redding, er was geen kans op ontsnapping.

Behalve voor een heel kleine minderheid. Die niet ziek werd. Die immuun bleken. Waarom ? Niemand wist het. Zou het blijven duren ? Geen idee.

Feit was alleen dat enkelen overleefden. Ogenschijnlijk zonder gevolgen.

Hoeveel mensen overleefden ? Ook daar had niemand enig zicht op. Niemand durfde het aan om hun huidige woonplaats te verlaten. Angst dat het virus hen alsnog zou treffen, hield iedereen vast op de plaats.


De gelukkigen (of waren het ongelukkigen ?) die een paar dagen na het overlijden van de laatst geïnfecteerden nog op hun benen stonden, werden niet ziek. Ze bleven leven. Al maakte dat hen niet blij. Ze waren bang. Doodsbang. Angstig, opgejaagd. Wat nu ? Hoe moest het nu verder ? Wie ging hen helpen ? Wie ging hen leiden ? Waar moesten ze naartoe ? Niets werkte nog, niets deed het nog.

Niemand was er nog. Niemand die ze kenden voor deze vreselijke gebeurtenissen. Niemand die ze konden vertrouwen.

Er was alleen een gigantische leegte. Een lacune waar nog maar heel kort geleden meer dan zeven miljard mensen rondgelopen hadden. Die nu niet meer dan een herinnering waren. Een leegte. Een hoopje stof en as. Verspreid door een voorjaarsstorm. Weggespoeld door een regenbui. Voor altijd verdwenen. Zonder enig spoor achter te laten. Zonder enige aanwijzing dat ze er ooit geweest waren.

De enige herinnering aan dit vreselijke gebeuren waren de her en der verspreidde wagens. Achter gelaten in het midden van de straten. Met openstaande deuren, een laatste poging van de tot blubber herleidde mensen om te vluchten. De motoren afgeslagen door gebrek aan brandstof.

Winkelcentra en fabrieksgebouwen stonden wijd open. Niemand die de tijd gevonden had om ze te sluiten. Niemand die het nut daarvan nog ingezien had.

Fabrieken stilgevallen bij gebrek aan grondstoffen. Ontploft bij gebrek aan controle. Kerncentrales stilgevallen door noodprocedures bij gebrek aan sturing.

Niets elektronisch of intelligents uit het vorige tijdperk dat het nog deed.

En daartussen ? Enkelingen op de dool. Angstig voor elkaar. Bang voor de toekomst. Langzaam elkaar vindend. Aftastend, besnuffelend, testend wie ze konden vertrouwen, zoekend naar iemand om bij aan te sluiten. Bang om alleen te blijven. Toegevend aan de sterksten van de overlevers. Zich onderwerpend aan de nieuwe leiders.

Een nieuwe hiërarchie ontstond. In de oude stadscentra. Waar de meeste voorraden en grondstoffen nog te vinden waren. Waar de sterksten het roer in handen namen. Het eten en drinken beheerden en de zwakkeren weg joegen. Waar wapens weer ter hand genomen werden om territoria af te bakenen en indringers te verjagen.

Oerinstincten kwamen weer naar boven en maakten opnieuw beesten van deze mensen. Vechtend voor hun leven, voor het dagelijks eten. Vechtend om verder te leven, op een manier die al lang tot het verleden had moeten behoren. Ieder voor zich. De wet van de sterkste. Oog om oog, tand om tand. Tot het bittere einde.

Hier, in deze buitenwijk van de eens zo bloeiende stad, was het erger dan eender waar. Hier liet niemand zich zien die van plan was verder te leven. Hier woonden de uitgestotenen. Hier verbleven zij die zich niet mochten laten zien bij de nieuwe machthebbers. Hier woonden de paria's die niet gewenst waren in de oude stad. Hier heerste de wet van de jungle, ieder voor zich. Niemand voor hen.


Hier had deze strompelende man, die net de virtuele grenzen van deze verboden wijk zo onnadenkend overschreden had, geen kans. Was hij sterk en gezond geweest, had hij misschien even kunnen vechten. Misschien. Maar nu ? Nu hij zo zwak leek te zijn, waren zijn minuten, misschien zelfs seconden geteld.


Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-6 show above.)