Excerpt for Tweede Talent by Gerben Graddesz Hellinga, available in its entirety at Smashwords

Tweede Talent

Gerben Graddesz Hellinga

Verschijnsel.net

Tweede Talent Copyright 2012 Gerben Graddesz Hellinga
Omslagillustratie copyright 2012 Bauke Muntz
ISBN: 978-1-4658-4563-4


Dit boek verschijnt onder het Verschijnsel-imprint. Verschijnsel is een imprint voor oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur van meerdere uitgeverijen in digitale vorm. Deze e-boeken zijn bijeengebracht op Verschijnsel.net


Verantwoordelijke uitgever van dit eboek:

Verschijnsel vzw,
F. De Merodestraat 7,
2800 Mechelen,
België.


Uitgeverij Verschijnsel heeft zijn eigen fonds van oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur, uitgebracht in gebonden edities en/of in paperback. Uitgebreide informatie over al deze titels, inclusief romanfragmenten en complete korte verhalen, is te vinden op www.verschijnsel.net

“Driehoeksconflicten”, een paperback-uitgave van de complete trilogie over Ptuui’s, Mensen en Zassonen, is nog te bestellen via www.verschijnsel.net.


No part of this book may be reproduced in any form, by print, photo-print, microfilm or any other means without written permission from the publisher / Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


***

Smashwords Edition, License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.

HET DERDE BOEK OVER

PTUUI’S, MENSEN EN ZASSONEN


Lees ook het eerste boek over ptuui’s, mensen en zassonen: Grensconflicten.


En het tweede boek: Kinderen van de rekening.


Driehoeksconflicten”, een paperback-uitgave van de complete trilogie over Ptuui’s, Mensen en Zassonen, is nog te bestellen via www.verschijnsel.net.

INHOUD



De langlevers

De laatste troefkaart

Reünie

Tweede talent

Een cyclus van duizend jaren



Chronologie

Over de Auteur

Over Verschijnsel

2175 AD

DE LANGLEVERS

1

Pijn... Tintelende, prikkelende, stekende, gloeiende, splinterende, zeurende pijn. Elk deel van Ria Clausers lichaam voelde aan of het een tijdlang afgeknepen was geweest en de bloedsomloop nu weer op gang kwam. Of als een bevroren voet die langzaam weer tot leven kwam. Wat was er in Gezondheidsnaam aan de hand, waar was ze? Ach ja, het emigrantenschip! Hoe lang was ze bewusteloos geweest?

Ze kon zich niet bewegen. Alleen al de gedachte aan bewegen deed de pijn toenemen. Ze kon ook niets zien. Waren haar oogleden gesloten? De pijn in haar gezicht was te hevig om dat te controleren. Toch was er gelukkig nog wel iets dat functioneerde: ze kon een stem horen, die van heel ver weg leek te komen.

‘Rustig blijven liggen, mevrouw Clauser, ook als u straks merkt dat u zich weer kunt bewegen. Als u kalm blijft, ebt de pijn vanzelf weg. Pas als die over is, mag u uw ogen opendoen.’

Ria dacht terug aan de laatste minuten die ze zich nog herinnerde. ‘Even een prikje geven,’ hadden de technici in de merkwaardige cel met al die apparatuur gezegd. ‘Dat moet als voorbereiding voor de reis.’ Hoe lang geleden was dat?

Het was duidelijk dat ze was ingevroren. De geforceerde vetkuur (zelfs met haar behoorlijke lichaamsgewicht had men er nog op aangedrongen dat ze zoveel mogelijk at!) en het zoveel mogelijk ademhalen vlak voor ze haar bewusteloos spoten, hadden daar al op gewezen. Bovendien ging het bij deze emigratiegolf om buitengewoon veel mensen. Zoveel personen kreeg je nooit snel bij elkaar; ze hadden vermoedelijk jarenlang kolonisten opgespaard.

Langzaam ebde de pijn weg. Ria bleef liggen tot ze zo weinig voelde dat zij haar ogen durfde te openen. Het eerste wat ze kon zien in het spiegelende oppervlak van een metalen paneel boven haar, was haar eigen lichaam. Ze droeg dezelfde kleren als bij haar inscheping en haar polsen, enkels en hoofd waren nog steeds in banden vastgesnoerd. Haar kleren hingen opmerkelijk los om haar lichaam, alsof ze enorm vermagerd was. Ze moest ontzettend lang bewusteloos geweest zijn. Waar hadden ze haar naar toe gebracht?

Met moeite onderdrukte ze een opkomende aanval van paniek. Daarbij hielp het dat het spiegelende oppervlak boven haar hoofd na enkele seconden grijs werd. Er verscheen een tekst op. Langzaam schoven de letters omhoog, zodat ze in alle rust kon lezen wat men haar vertellen wilde. Eerst een niet mis te verstane waarschuwing en daarna een tekst met veel informatie die voor haar niet nieuw was, maar die voor de modale emigrant bedoeld moest zijn.


NIET PROBEREN TE BEWEGEN.

OVER ENKELE MINUTEN KOMT MEN U LOSMAKEN.

WACHT DAAROP!


Gezondheid toegewenst, beste emigrant. Welkom op Nieuwe Aarde! Lees onderstaande tekst aandachtig. Het zal veel van uw vragen beantwoorden. Op de oppervlakte van de nieuwe wereld krijgt u verdere informatie.


A. ACHTERGRONDINFORMATIE.

1. Onze achterstand op de ptuui’s wat betreft de biotechnologie en op de zassonen wat betreft de techniek en de natuurwetenschappen is niet in te halen tenzij er een drastische oplossing wordt gevonden.

2. Als de status van voorzichtige coëxistentie tussen de drie soorten wordt verbroken, wat onvermijdelijk lijkt, loopt de mensheid door haar achterstand groot gevaar uitgeroeid te worden. Alleen krachtige maatregelen kunnen redding bieden.


B. DE OPLOSSING is gezocht in het koloniseren van een geheel nieuw gebied van de Melkweg: Area II.

1. De ptuui’s en de zassonen weten niet dat dit gebied momenteel op grote schaal gekoloniseerd wordt. Slechts zeer weinig mensen in Area I zijn op de hoogte van dit project.

2. U bent in het geheim uitgekozen als kolonist voor dit nieuwe gebied.

3. Uw taken zijn de volgende:

- koloniseer Nieuwe Aarde. Op dit moment bevinden wij ons in een omloopbaan rond deze planeet.

- koloniseer vanuit Nieuwe Aarde zoveel mogelijk andere voor mensen bruikbare planeten.

- geef hoge prioriteit aan het ontwikkelen van de technische, biotechnologische en natuurwetenschappelijke kennis.

Het is in uw eigen belang aan dit projekt mee te werken. Als Area I door de anderlingen vernietigd wordt, zal Area II vroeger of later ook door hen ontdekt worden, met hetzelfde resultaat.

4. Om deze opdrachten uit te voeren zijn 3.627.048 kolonisten naar Area II gezonden. Teneinde te garanderen dat er gedurende lange tijd geen contact zal zijn tussen Area I en Area II is ervoor gezorgd dat slechts weinigen van u de locatie van Area I kennen.


De meesten van u zijn agrariërs en geschoolde arbeiders. Uw taak is de nieuwe planeet leefbaar te maken: u zorgt voor een goed leefmilieu en een goede voedselvoorziening; u ontwikkelt mijnbouw en bouwt steden, ziekenhuizen en laboratoria.

Onder u bevinden zich echter ook zeer veel managers, organisatiedeskundigen, technici en wetenschapsmensen. U vormt de speerpunt in de wetenschappelijke strijd met de anderlingen.

Onze hoop is op u allen gevestigd!

C. DE UITVOERING. Teneinde het transport van ruim drie en een half miljoen kolonisten geheim te houden zagen wij ons helaas gedwongen tot een aantal handelingen van ethisch dubieuze aard.

1. U bent tot het laatste moment in de waan gelaten dat u op weg was naar de koloniewereld van uw keuze.

2. U bent in diepgevroren toestand vervoerd. Dit was de enige manier om zoveel kolonisten over zo’n lange afstand te vervoeren.

3. Veel van uw persoonlijke bezittingen die u dacht mee te kunnen nemen zijn achtergebleven. De daarvoor benodigde ruimte moest worden benut voor andere doeleinden. Wij konden u daarvan niet op voorhand op de hoogte stellen.

4. Sommigen van u wacht een zwaarder verlies: het proces van diepvriezen en ontwaken is niet zonder risico. Er zullen mensen zijn overleden, en er zullen mensen zijn die het verdriet moeten verwerken van het verlies van familieleden of vrienden. Wij zullen hen alle hulp en opvang geven die nodig is.


D. Wij begrijpen volkomen dat u zich bedrogen en gemanipuleerd voelt, maar u moet zich het volgende realiseren.

1. Zonder deze actie zou er een grote kans zijn dat de mensheid binnen een of twee eeuwen in haar geheel wordt uitgeroeid.

2. U hebt zich zonder uitzondering opgegeven als vrijwilligers voor kolonisatie. De meesten van u omdat op de kolonieplaneten onbeperkte gezondheidszorg geboden kan worden, hetgeen op Aarde niet meer mogelijk is. Op onze koloniewerelden is de gezondheidszorg weliswaar onbeperkt, maar lang niet zo ver gevorderd als op Aarde. Op Nieuwe Aarde zal het technische niveau echter zo snel mogelijk op dat van Aarde gebracht worden. Het doel dat de meesten van u nastreefden toen u zich als kolonist opgaf, lang en gezond leven, zal voor u in Area II beter verwezenlijkt kunnen worden dan op de planeet die u in eerste instantie had uitgekozen.

3. Nieuwe Aarde is een planeet die zich in vele opzichten beter leent voor kolonisatie door mensen dan de bekende kolonieplaneten. De zwaartekracht is bijvoorbeeld 0,9 g. Ter vergelijking: Palbunts Verdriet: 1,3 g, Wassenaar: 1,2 g, Annemarie: 1,8 g! De dampkring is praktisch gelijk aan die van Aarde. Ter vergelijking: in de dampkringen van Rorschach, Annemarie en Grote Schijf zit aanmerkelijk minder zuurstof. Op Rorschach dient men constant neusplugjes te dragen om te voorkomen dat men een van de levensgevaarlijke insecten inademt; op Palbunts Verdriet raakt veertig procent van alle mensen besmet met Groene Sporen; op Fragrance betekenen de klampklevers een voortdurend gevaar. Nieuwe Aarde heeft, voor zover ons bekend, wel een aantal gevaarlijke of hinderlijke plant- en diersoorten, maar die zijn betrekkelijk gemakkelijk te bestrijden.


E. Deze scheiding is geen afscheid. Eens zullen wij samen de anderlingen moeten bestrijden, die ons reeds nu, maar in de toekomst ook u bedreigen. Veel succes met ontwikkelen van Area II!


Namens de Algemene Vergadering van De Verenigde Naties van Aarde en Haar koloniën,


Sir Henry Glanders,

voorzitter van de Algemene Vergadering


De pijn was inmiddels geheel verdwenen. Ria bleef rustig liggen nadenken over wat ze had gelezen. Een knappe mengeling van ‘eerlijk opbiechten’ en peptalk. Die mededeling dat ‘er mensen zullen overlijden’. Zij wist dat ongeveer zes procent van de mensen bij het proces van invriezen en ontdooien stierf. Dat betekende dat er niet alleen gezorgd moest worden voor het min of meer soepel verwerken van bijna drie en een half miljoen immigranten in één stoot, maar ook dat het verdriet en de boosheid van de familieleden van ruim tweehonderdduizend overleden reizigers moest worden opgevangen. Ria benijdde degenen niet, die dit allemaal moesten organiseren.

De iris van de ontdooiingscel schoof open. Een grote man in witte kleren kwam binnen. Hij keek met een strak gezicht en samengeknepen lippen naar Ria, waarschijnlijk er op voorbereid een stroom verwijten te trotseren. Maar zij voelde zich opperbest en wilde alleen maar zo snel mogelijk naar het oppervlak van Nieuwe Aarde. Ze wist nog niet wat ze kon gaan doen, maar wilde nu wel aan de slag. Tenslotte had ze al in geen jaren meer iets uitgevoerd.

Ze stond op en begaf zich met bibberende knieën en een gevoel van waanzinnige honger naar de gang.

Een matroos nam haar bij een arm en trok haar zachtjes mee in de richting van de luchtsluis. Zonder plichtplegingen werd ze in een shuttle geduwd en meteen daarna sloeg de sluisdeur van het scheepje dicht. Ze kreeg te horen dat ze zich snel in een anti-g net moest insnoeren als ze geen ledematen wilde breken en terwijl zij daar nog mee bezig was schoot de shuttle al naar het oppervlak van de planeet.

Een uur later landden zij. Ria ging naar de uitgang van het scheepje en kwam tegenover een bureau te staan, waarachter een verveelde vrouw zat met haar vingers tegen een beeldscherm.

‘Naam? Registratienummer?’

Ria gaf de gevraagde informatie en de vrouw bespeelde haar toetsenbord. ‘Over vijftien minuten melden bij poort 7. Volgende.’

‘Wacht even! Ik maak liever zelf uit waar ik heenga.’

‘Doorlopen, mevrouw. Daar hebben we nu geen tijd voor. Volgende!’

De immigrant achter haar gaf Ria een onzachte duw in de rug. Zij viel bijna over haar eigen voeten en belandde, nog net overeind, op de grond buiten de shuttle. Ze stond voor een grote opening van een tent. Ria liep naar binnen en keek met ontzag om zich heen. De enorme ruimte was gevuld met duizenden verdwaasd kijkende immigranten. De meesten waren er duidelijk nog niet in geslaagd de razendsnelle omschakeling te maken van hun vroegere plannen naar hun nieuwe toekomst. Geüniformeerde mannen en vrouwen – kennelijk al enkele dagen eerder ontdooid – zorgden ervoor dat de verwerking van de stroom immigranten ondanks de gigantische aantallen toch min of meer gestroomlijnd verliep. Door luidsprekers werden voor het personeel instructies en nummers gebruld. Het was duidelijk dat dit reusachtige karwei alleen soepel kon verlopen als iedereen precies deed wat hem of haar werd opgedragen. Ria zuchtte; braaf doen wat er gevraagd werd was niet haar sterkste kant, maar voorlopig zou ze het maar doen.

Ze ging op zoek naar poort 7. De ontvangsthal waar de shuttles hun ladingen ontdooide immigranten afleverden, was een gigantische ballon met zeker twintig uitgangen. Het dichtst in de buurt zag Ria een grote 5 boven een van de uitgangen. Ze gokte op rechts, liep die kant op en kwam even later bij een uitgang met een 6 erboven. Net binnen de vijftien minuten schaarde ze zich in een rij mensen die wachtten op het ogenblik waarop zij door poort 7 konden gaan.

De rij schoof snel op. Vijf minuten later stond Ria voor een geüniformeerde man die ook weer vroeg: ‘Naam? Registratienummer?’

Toen Ria die informatie verstrekte zei de man: ‘Cabine veertien.’

Ria liep door poort zeven en bevond zich nu in een kleine straat, met aan weerszijden tien cabines. Ze klopte op de iris van nummer veertien, hoorde ‘Binnen!’ roepen en ging zitten voor een bureau waarachter een vermoeid uitziende en zwetende man zat. Ook deze vroeg weer om haar naam en registratienummer, maar deze keer volgde er niet een kort afgebeten instructie.

‘Clauser, Ria? Daar had ik aparte instructies voor. Momentje.’

Hij deed een greep in een grote bak waarin verzegelde enveloppen zaten. Op een enveloppe stond een grote twee en de man wees naar dat cijfer. ‘Dit betekent dat je twee Nieuwe Aarde-maanden, dat is ongeveer drie standaardmaanden, tot de beschikking blijft van de organisatie. Daarna mag je je eigen gang gaan. Daar in die hoek staat een speler. Zet de koptelefoon op. Ik mag niet horen wat er op de band staat. Zodra je de band hebt afgeluisterd, meld je je weer bij mij voor de opdrachten die ik je zelf moet geven.’

Ria liep naar de speler en zette die aan. De kille stem van de man die haar op Aarde haar laatste opdrachten had gegeven klonk in haar oren: ‘Mevrouw Clauser, welkom op Nieuwe Aarde. U zal in uw nieuwe leven waarschijnlijk weer voor een vorm van bestaan kiezen die buiten het gewone patroon valt. Daarvoor is het echter niet nodig dat u zoals vroeger de weg van de misdaad zoekt. Avontuur en uitdagingen kunt u ook vinden op een meer legale manier. Daarbij willen wij u helpen, want wij hebben u beloofd dat u bij het naar tevredenheid uitvoeren van uw vorige opdracht beloond zou worden. Over drie standaardmaanden, als uw verplichte werkperiode voorbij is, ontvangt u een bedrag dat u in staat stelt een particulier recherchebureau op te zetten. Veel mensen zullen er geld voor over hebben om, zonder dat officiële instanties daarvan op de hoogte zijn, te weten te komen of bepaalde mensen ook zijn meegekomen naar Area II. Oude rekeningen zullen om vereffening vragen, bondgenootschappen en liaisons die om de een of andere reden niet bekend mogen worden, zullen moeten worden hersteld. Met het beginkapitaal dat u ontvangt gecombineerd met uw ervaring in het manoeuvreren langs de rand van de maatschappij èn met uw vermogen om snel veel mensen te leren kennen die u kunt gebruiken, kunt u van uw nieuwe carrière een succes maken. Wanneer u het geld voor andere doeleinden gebruikt, of weer begint met uw vroegere criminele activiteiten, zult u het geld weer kwijtraken.’

Dat was alles. Ria haalde haar schouders op. Het was nog niet eens zo’n gek idee van die geheimzinnige ambtenaar. Smokkelen zat er op deze nieuwe wereld toch niet meer in.


2

Walter Trevor staarde voor zich uit door de ramen van de directiesuite van de Verenigde Compagnie en nipte peinzend aan een glas vindrialikeur. Vanaf de vierde verdieping had hij een goed uitzicht over de stad. Einstein had alle kenmerken van een stad die binnen razendsnelle tijd geheel volgens koele zakelijke planning was gebouwd. Kaarsrechte straten met uniforme blokken ertussen, en op gezette afstanden groene zones voor het zuiver houden van de lucht. Alles was gemaakt van beton, maar het straatbeeld was meer bruin dan grijs omdat het beton gemengd was met een vloeistof die giftig was voor het korstmos dat zich anders overal aan hechtte.

Ten noorden en oosten van de stad strekte zich een bergrug uit. Verder was de stad omgeven door een grote vlakte die nog maar gedeeltelijk in gebruik genomen was. Landbouw mocht daar niet bedreven worden: Einstein zou zich in de toekomst nog een heel stuk moeten kunnen uitbreiden en de ruimte die daarvoor nodig was moest vrij blijven. De vlakte was reeds grotendeels gezuiverd van schadelijke planten en dieren, maar er moest nog regelmatig gepatrouilleerd worden om dat zo te houden. Ver weg zag Walter het onregelmatige geflakker van een vlammenwerper. Er waren pletplaten gesignaleerd, ovale tapijtachtige dieren die zich ‘grazend’ over het oppervlak voortbewogen. Achter hen bleef alleen kale grond achter, waar jarenlang niets wilde groeien.

Ook in de stad was nog niet alles vrij van gevaarlijke flora of fauna. In de parken liep je nog steeds de kans aangevallen te worden door roofmollen of stekelslangetjes; die beesten waren moeilijk uit te roeien. Maar verder was het in de stad bijna overal veilig als je een beetje uitkeek.

Als je een beetje uitkeek, dat wel! Schuin aan de overkant zag Walter een man lopen, met een grote stapel dozen in zijn hand zodat hij niet goed kon zien waar hij liep. Een van de zwarte punten die dag in dag uit boven de stad zweefden maakte zich los van de rest, werd snel groter, kreeg de vorm van een pijl en werd een grote roofvogel: een scheerder. Even later lag de man op de grond, zijn dozen verspreid over de straat. De scheerder had het niet op hem gemunt; die wilde alleen een drietal schuifzwammen van de muren plukken. De man had er gewoon voor moeten zorgen dat hij daar niet zo dicht bij in de buurt liep.

Walter Trevor keek naar dat alles, maar zonder erover na te denken. Hij had heel andere dingen aan zijn hoofd, want hij moest plannen maken voor zijn toekomst.

Het was jaar 4 Na Aankomst en het was hem goed gegaan op Nieuwe Aarde. Hij was altijd al een gewiekst zakenman geweest en onmiddellijk na de landing was hij op zoek gegaan naar mogelijkheden. Al snel merkte hij dat er bij de technici en wetenschapslieden enerzijds, en de arbeiders/landbouwers anderzijds maar weinig mensen waren die tussen de twee groepen een brug konden vormen. Er waren massa’s administrateurs en organisatiedeskundigen, maar mensen met een gezonde dosis handelsinstinct waren zeldzaam. Daarop was kennelijk niet geselecteerd.

Toch komt een ingewikkelde maatschappij als Nieuwe Aarde er niet met een ruilhandeleconomie, of een alles-is-van-iedereen-systeem. Walter bezat de kennis en ervaring voor het opzetten van een monetair stelsel en een distributiesysteem tussen de hoofdstad Einstein en de drie gestichte agrarische centra. Een goed betaalde baan met een hoge status. Als Walter zo’n honderd jaar zou leven, zou hij dik tevreden zijn geweest met dat bestaan. Maar hij kon verwachten dat hij nog minstens twee en een halve eeuw zou leven. Het rustige leventje dat hij in de ogen van andere mensen leidde, zou hem na enkele tientallen jaren afschuwelijk gaan vervelen. Daarom maakte hij geheime plannen om de komende eeuwen in te vullen.

Toen Walter het langleefvirus door de ptuui’s in zijn bloed liet aanbrengen, wist hij dat het alleen via rechtstreekse bloedtransfusie op een ander mens kon worden overgebracht, en dan nog alleen als die ander dezelfde bloedgroep had als hij: AB +. De voorsprong van de ptuui’s op biotechnologisch gebied was zo groot, dat het uitgesloten was de geheimen van dat virus te ontsluieren. De mensen mochten al blij zijn dat ze het virus aan de ptuui’s hadden weten te ontfutselen en dat een deel van de mensen het zou kunnen gebruiken.

De voordelen van het virus voor de nieuwe maatschappij waren overduidelijk. Tien procent van de mensen zou als langlever veel langer vruchtbaar blijven en veel meer kinderen kunnen verwekken dan de kortlevers. Als hun kinderen de bloedgroep AB+ erfden zouden ook zij het virus hebben en langlevers worden. Uiteindelijk zouden de langlevers, misschien via ‘natuurlijk verloop’, misschien via een korte en bloedige burgeroorlog, de kortlevers verdringen.

Een normale wetenschapper had een productieve periode van zo’n vijfendertig jaar. Een wetenschapper die tweehonderdvijftig jaar lang zijn ideeën kon blijven uitbouwen kon onvoorstelbaar productiever zijn. Er was niet voor niets voor gezorgd dat praktisch alle wetenschappers de bloedgroep AB+ hadden. Beide doelen van Area II, het zo snel mogelijk koloniseren van zo veel mogelijk planeten en het ontwikkelen van een anti-ptuui en een anti-zassone technologie, hadden daarmee een redelijke kans van slagen.

Er waren nu vier jaren verstreken sinds de landing en nog steeds wist niemand iets van het bestaan van het virus in Walters bloed. Dat klopte met zijn opdracht: ‘Geef het geheim niet onmiddellijk vrij,’ had Sir Henry Glanders gezegd. ‘Als bekend wordt dat maar tien procent van alle mensen ervan kan profiteren, zal dat grote onrust veroorzaken in de nieuwe maatschappij. Wacht een aantal jaren, tot Nieuwe Aarde enigszins op orde gekomen is. Dan zal er tenminste een redelijk functionerend overheidsapparaat zijn dat met de te verwachten onrust kan afrekenen. Maar u moet het geheim wel bekend maken zodra dat verantwoord is, want Area II heeft een veel grotere kans op succes als u dat doet.’

Dat moment was zo langzamerhand aangebroken. Er waren intussen vele nederzettingen over de hele planeet verspreid. De ruimtevloot had een begin gemaakt met het exploreren van de dichtstbijzijnde sterren en het nieuws teruggebracht dat er veel Aarde-achtige planeten waren die voor kolonisatie geschikt waren. De wetenschappelijke elite had er krachtdadig voor gezorgd dat zij het voor het zeggen had en een politie-apparaat opgebouwd dat akelig efficiënt werkte. Het was niet populair, maar het zou eventuele onrust heel goed de baas kunnen. Het was in het belang van Nieuwe Aarde dat Walter nu naar buiten kwam met zijn geheim.

Maar Walter Trevor had geen boodschap aan het belang van Nieuwe Aarde. Hij was van het begin af aan volstrekt niet van plan geweest zich te houden aan zijn afspraak met Sir Henry Glanders. Want als hij dat deed, zou hij niet meer de enige langlever zijn, maar doodgewoon een van de velen en daar voelde hij niets voor. Hij had in de afgelopen jaren ontdekt dat door het besef van zijn unieke positie zijn zelfvertrouwen geweldig was toegenomen. Geleidelijk aan was hij de mensen om hem heen gaan beschouwen als kortlevende insecten waarmee hij nauwelijks meer verwantschap voelde. Het had hem harder gemaakt, maar ook veel eenzamer.

Hij stelde zich voor hoe zijn toekomst zou zijn als hij zijn geheim bewaarde. Over een paar jaar zou hij met zijn huidige vriendin moeten kappen, als zij ouder werd en hij zelf nog niet, en hij zou zich altijd tot kortdurende liaisons moeten beperken. Steeds opnieuw zou hij onder een nieuw alias, misschien zelfs steeds op andere planeten, moeten doorgaan. En hij zou zich vroeg of laat gaan vervelen als hij zich beperkte tot zijn huidige werkzaamheden. Hij had het leven altijd opgevat als een serie uitdagingen; wat zou over twee en een halve eeuw nog steeds een uitdaging zijn?

Dat lag voor de hand. Hij zou als geen ander projecten kunnen opzetten met een lange looptijd. Zonder dat iemand dat wist, moest hij daardoor zijn bezit en zijn macht voortdurend kunnen uitbreiden. Als hij het goed aanlegde moest het hem lukken om over een eeuw of twee de machtigste man van Area II te worden.

Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door zijn secretaresse. Er was een zekere Philippe Gonzales met een brief die hij persoonlijk moest overhandigen. ‘Het is privé,’ herhaalde ze. ‘En het heeft met bloed te maken.’

Walters hart sloeg een slag over. ‘Laat hem binnen.’

Misprijzend keek hij naar de man die binnenkwam. Een typische kolonist uit de agrarische streek: versleten kleren, licht geurend naar mest, verweerd en met een beperkte kennis van het Engels dat in Area II als voertaal gold. ‘Ik heb het druk,’ zei hij, een drieduizend jaar oude traditie volgend van belangrijke mensen met ongewenst bezoek. ‘Dus maak het kort.’

Gonzales keek zenuwachtig naar de kostbare pelzen die de zitkuipen bekleedden, de fraai besneden houten wanden, de ultramoderne apparatuur waarmee Walters kantoor voorzien was. Walter nodigde hem niet uit om te gaan zitten en de boer durfde dat niet uit zichzelf te doen. Hij kuchte een keer, slikte en zei: ‘Ik moest u een boodschap geven, meneer Trevor. Ze zeiden dat ik vier jaar moest wachten en als het dan nog niet bekend gemaakt was, moest ik u deze brief geven.’

‘Wat had er bekend gemaakt moeten zijn?’ vroeg Walter, maar hij voelde zich koud worden. Hij wist het antwoord al voordat de kinkel zijn boodschap verduidelijkte.

‘Ze zeiden niet precies wat, maar het had met uw bloed te maken. Dat was heel bijzonder, zeiden ze. En u moest de gemeenschap ervan laten meeprofiteren, zeiden ze.’

‘Wie zijn ‘‘ze’’, man? Wees eens wat minder vaag!’

‘Jawel, meneer. Voordat ik inscheepte kwam er een man die zei dat hij van de regering was. Hij zei dat ik op dezelfde planeet kwam te wonen als u. En dan moest ik elke dag naar het vidnieuws kijken. En als er na vier jaar nog niks over uw bloed was gezegd moest ik u deze brief geven.’

Hij stak een hand uit die redelijk gewassen leek te zijn, maar waarvan de nagels aantoonden dat de man zijn grond niet alleen met werktuigen bewerkte. Er zat een gekreukelde en ongelofelijk smerige, maar intacte enveloppe in.

Walters handen trilden toen hij de brief opende. Met groeiende ontsteltenis las hij:


New York, 21-6-2169


Geachte Heer Trevor,


Intussen moet de toestand in Area II wel zo stabiel zijn dat het bestaan van het virus in uw bloed bekend gemaakt kan worden. Kennelijk heeft u dat nog steeds niet gedaan.

Wij hebben met die mogelijkheid rekening gehouden en aan een aantal mensen een boodschap voor u meegegeven. Wij achten het uitgesloten dat geen van hen u zal weten te bereiken. Deze brief is de eerste van diverse pogingen die gedaan zullen worden. Wij gaan ervan uit dat u in elk geval op de eerste dag van het jaar 6 N.A. uw plicht ten aanzien van de gemeenschap van Area lI gedaan heeft. Bent u dan nog in gebreke gebleken, dan volgt fase 2, waarin wij maatregelen hebben voorzien die voor u uiterst onplezierig zullen zijn.

Mochten er goede redenen voor u zijn om tot nog toe geen bekendheid te geven aan uw geheim, dan dient u deze redenen te bespreken met tenminste drie van de onderstaande personen, voor overleg betreffende de te volgen beleidslijn.

(Er volgde een lijst van zes namen en registratienummers)


Geen van hen heeft bloedgroep AB+. U zult dus met hen geen geheime elite van langlevers kunnen vormen. Zij worden allemaal bewaakt, net als de brenger van deze brief en eventuele volgenden. Als twee of meer van deze mensen in het nu volgende jaar verdwijnen of sterven gaat fase 2 onmiddellijk in.

Een aantal mensen heeft u vanaf de landing bewaakt om ervoor te zorgen dat u niets overkwam. U kunt niet meer ziek worden, maar een ongeluk zou u nog wel kunnen doden. Dezelfde mensen die er nu voor zorgen dat u geen ongeluk overkomt, zullen bij het aanbreken van fase 2 geheel andere instructies krijgen. Als twee van die mensen iets overkomt zullen de anderen u ogenblikkelijk gevangen nemen. Uw bloed behoort de mensheid toe, meneer Trevor, niet meer alleen u.


In de hoop dat onze voorbereidingen voor de tweede fase niet nodig waren verblijf ik,

Hoogachtend,


Voor het Dagelijks Bestuur van de Verenigde Naties,

Carlos Lopez da Silva.


Walter bleef minutenlang staren naar het bedrukte plastic in zijn hand, tot hij werd opgeschrikt door een kuchen en een schuchter klinkend: ‘Wat moet ik nu doen, meneer?’

‘Hm? O... Ja, het is goed zo. Je kunt wel gaan.’

De boer vertrok, Walter in diep gepeins achterlatend. Hij had zonder gewetenswroeging al eerder de wet overtreden, toen zijn gezondheidsscore hem in levensgevaar bracht. Nu hij nog meer te verliezen had, was hij bereid erg ver te gaan om ervoor te zorgen dat hij zijn unieke voorsprong op zijn medemensen behield. Toch liet hij Gonzales gaan zonder uit te zoeken waar hij woonde. Fase 2, wat dat ook mocht betekenen, was toch niet te voorkomen. Hij kon nu twee dingen doen: zijn geheim prijsgeven, maar daar voelde hij niets voor. Of zo goed mogelijk gebruik maken van het jaar respijt dat hem nog restte, om zich op fase 2 voor te bereiden. Een organisatie opbouwen die hem kon helpen af te rekenen met elk soort bedreiging. Walter liep in gedachten na wat fase 2 kon inhouden. Het kon een brief zijn die in de pers verspreid werd en waarin zijn geheim algemeen bekend gemaakt werd. Of ze zouden hem kunnen ontvoeren om hem van zijn bloed met het kostbare virus te ontdoen. Hij kon natuurlijk een nieuwe identiteit opbouwen zodat hij straks kon onderduiken. Maar degenen die voor fase 2 moesten zorgen, zouden met die mogelijkheid zeker rekening houden. Het was vervelend, maar dit kon hij niet in zijn eentje redden. Hij had hulp van anderen nodig, en als eerste stap ging hij maar eens met een medicus praten.


3

Vladimir Popova had een gedrongen lichaam en een zeer groot hoofd. Wie zijn lelijke gestalte en zijn grove stompe handen zag, kon niet vermoeden dat er maar weinig mensen waren die hem op het gebied van de plastische chirurgie konden evenaren. Zijn uitstekende jukbeenderen en licht afgeplatte neus wezen op een Chinese afkomst, maar Walter Trevor was geïnteresseerd in iets anders dat Popova van zijn ouders had geërfd: zijn bloedgroep was AB+.

Hij kende Popova al een paar jaar. Walter had er al snel na aankomst voor gezorgd dat hij lid was van alle clubs met leden die voor hem van nut konden zijn. Het kostte hem weinig moeite om een ontmoeting met Popova te regelen waarvan verder niemand wist.

Popova’s enige commentaar na het lezen van de brief van Lopez da Silva was: ‘Zo...’

Walter hield met enige moeite zijn irritatie onder controle. ‘Begrijp je waarover het gaat?’

Popova haalde zijn schouders op. ‘Jij schijnt een langleefvirus in je bloed te hebben en iedereen met bloedgroep AB+ kan het van jou krijgen. Je benadert mij en ik heb AB+. Het lijkt erop dat je mij dat virus wilt aanbieden. Wat moet ik daarvoor doen?’

Door de nuchtere reactie van de ander ontspande Walter. Hij nam een slok van het glas vindrialikeur dat tot dan toe onaangeroerd voor hem had gestaan en zakte onderuit in zijn zitkuip.

‘Meedoen met een kleine organisatie die ik wil opbouwen. Ik weet wat voor mensen ik daarvoor nodig heb, jij kunt nagaan of zij AB+bloed hebben en voor de bloedtransfusies zorgen. Ik stel mij een groep van ongeveer tien langlevers voor, die sleutelposten in de maatschappij bekleden. Politici en hoge ambtenaren die het nieuws over het virus kunnen onderdrukken als het straks bekend wordt gemaakt. Iemand die de telefax en het vidnieuws in zijn zak heeft en het ‘‘gerucht’’ over het virus als een lachertje kan behandelen. Een hoge piet bij de politie die kan helpen, de mensen die in fase 2 op ons afkomen uit de weg te laten ruimen.’

‘Je schijnt er nogal zeker van te zijn dat ik niet linea recta naar de politie stap.’

‘Popova, jij hebt je voor emigratie opgegeven omdat je voor twee clandestiene operaties gearresteerd bent. Niemand kan het bewijzen, maar men vermoedt dat je schatrijk geworden bent door jaren lang buiten de wet om te opereren.’

‘Dat is nog iets anders dan met die criminele operatie van jou mee te doen.’

‘Er gaan ook geruchten over de manier waarop jij aan de organen kwam die je bij die operaties hebt gebruikt.’

Popova keek Walter fronsend aan. ‘Hoe kom jij aan die geruchten?’

Walter schudde zijn hoofd. ‘Dat soort bronnen geef ik liever niet bloot. Doe je mee of niet?’

Popova zei zachtjes: ‘Wat ik in tweehonderdvijftig jaar niet allemaal kan doen... En geen concurrenten in mijn vakgebied die even lang de tijd krijgen voor hun onderzoekingen... Hoe kan ik zo’n aanbod weigeren?’

Hij tikte zijn horlogekies aan met zijn tong. ‘Het is nu half drie. Zo midden in de nacht is er niemand in mijn lab. Een prima gelegenheid om mijn inoculatie met dat virus maar meteen te regelen, niet?’

Walter grijnsde. ‘Vladimir, ik mag je vreselijk graag en ik heb een gezond respect voor je misdadige neigingen. Daarom heb ik je ook uitgekozen. Maar ze maken me wel een beetje bang dat mij een uurtje na de bloedtransfusie een ongeluk kan overkomen. Ik stel voor dat we eerst onze groep samenstellen en dan allemaal tegelijk overgaan tot het overbrengen van het virus.’


Marianne Duval was altijd een efficiënte vrouw geweest en wist bovendien goed gebruik te maken van haar charmes. In het jaar 4 N.A. had zij het dan ook gebracht tot een van de twee directieposten van het Bevolkingscontrolebureau; een hoge post voor iemand van nog geen vijfendertig. Zij was intussen getrouwd en nu zeven maanden in verwachting. Haar leven verliep naar wens en ze had geen behoefte aan schokkende veranderingen.

Toen haar secretaresse meldde dat een zekere meneer Walter Trevor haar wilde spreken, had ze even de neiging hem te laten wegsturen. Walter Trevor? Als die iets van haar wilde, zou het wel weer iets buiten de wet zijn, waarom kwam hij anders uitgerekend naar haar toe? Voordat zij tot een besluit had kunnen komen ging de deur van haar kantoor open en kwam Walter Trevor met uitgestoken pink op haar toelopen.

‘Marianne, wat zie jij er goed uit! Emigratie heeft je goed gedaan, dat is duidelijk te zien.’

Gereserveerd haakte Marianne haar pink in de zijne. ‘Ik hoor dat jij ook niet slecht geboerd hebt de laatste tijd. De Verenigde Compagnie en jij, dat is zowat hetzelfde, niet?’

Walter glimlachte. ‘Zowat, ja. Maar ik heb op het moment een nog veel grotere zaak bij de kluif, en daarvoor kom ik langs.’

Hij bracht bondig verslag uit en vervolgde: ‘Je kunt je voorstellen hoe plezierig ik het vond, te ontdekken dat jij ook AB+bloed hebt! Ik wil je graag weer bij mijn plannen betrekken als jij daar ook voor voelt.’

Marianne dacht razendsnel na. Eigenlijk voelde ze niet veel voor iets dat haar plezierige leven zou verstoren. Maar ze was er zeker van dat ze nu te veel wist om nog te kunnen weigeren. Als ze op Trevors uitnodiging inging zou ze deel uitmaken van de kleine groep langlevers; dat was heel wat veiliger. Ze deed haar best enthousiast te kijken en zei glimlachend: ‘Geen enkele vrouw wordt graag oud. Als het toch moet, dan liever pas over een lange tijd.’

‘Prima!’ Walter stak haar een vel schrijfplastic toe. ‘Ik heb hier een lijst namen. Begin maar met na te gaan wie van hen AB+bloed hebben. Als we er straks een aantal van hebben uitgekozen voor onze groep, moet je hun bloedgroepgegevens in jouw archieven veranderen. Zodra we onze groep hebben samengesteld krijg je het virus van me.’

Marianne hield haar hand op. ‘Niet zo vlug! Ik ben zwanger, weet je.’

‘Nou en?’ vroeg Walter. ‘Met dat virus in je bloed zul je je tijdens de zwangerschap uitstekend voelen.’

Marianne keek sceptisch. ‘Dat kan... Maar voor hetzelfde geld beschouwt het virus mijn kind als iets dat niet in mijn lichaam thuishoort en wordt de baby afgestoten.’

Walter haalde zijn schouders op. ‘Vladimir Popova moet de bloedgroep van jouw kind maar bepalen. Als dat AB+ is, zal het het virus via de placenta van je overnemen, want dat is net zoiets als een bloedtransfusie. Dan doe je meteen al mee en dan kan je een kerngezonde baby verwachten. Als het kind je bloedgroep niet geërfd heeft, zou het door jouw virus als een vreemd lichaam beschouwd worden. Dan wachten we met het overbrengen van het virus tot na de bevalling. Goed?’


Wie De Gids, de grootste nieuwsdienst van Einstein achter zich had staan, had bijna automatisch de publieke opinie mee. Eigenares-directeur Margo Pritt was op de leeftijd gekomen waarop het steeds moeilijker werd om de rimpels weg te werken. Popova had kort geleden haar borsten verstevigd en haar een tweede facelift gegeven, maar toen Walter haar een effectievere methode beloofde om het ouder worden uit te stellen greep ze met beide handen de geboden kans.

Op haar advies werd ook de holovisiepresentator Erhard Ringer in de groep opgenomen. Deze had evenals zijn grote concurrent Hennie Nelson de bloedgroep AB+. Margo kende hen beiden persoonlijk en verzekerde Walter dat Nelson de hele zaak onmiddellijk op straat zou gooien, maar dat Erhard wel animo zou hebben in het lidmaatschap van een geheime elite.


De volledige top van de Volkspartij bestond uit ex-Oost-Europeanen, wat wees op vriendjespolitiek. Ervan uitgaande dat het met de sociale betrokkenheid van de partijtop wel mee zou vallen, namen ze een risico en benaderden het hoogste kaderlid van de Volkspartij dat AB+bloed had, Iljah Varsavski. Om het evenwicht te bewaren werd ook een afdelingshoofd van de Progressieve Democraten, de grootste oppositiepartij, benaderd. Nils Hardin was een ambitieuze man en zij garandeerden hem dat hij door ‘natuurlijk verloop’ binnen korte tijd de lijsttrekker en leider van de P.D. zou kunnen worden. Dat maakte hun groep onafhankelijk van de uitslag van de volgende verkiezingen. De hoogste in de hiërarchie van de politie met de vereiste bloedgroep was Adamo Belloni, hoofd van politie in het derde arrondissement in Einstein. Zowel Erhard Ringer als Margo Pritt waren voldoende op de hoogte van wat zich achter de schermen van de gemeentelijke politiek afspeelde, om Walter te verzekeren dat Belloni zijn vroegere ‘familie’ erg miste en zich graag zou inzetten voor een nieuwe vorm van Cosa Nostra.


Toen mensen uit alle streken van de moederwereld als een gigantische mengelmoes op Nieuwe Aarde waren neergezet, voelden heel veel mensen zich verloren door het verlies van hun eigen cultuur en geloofsgenoten. Zij vormden een duidelijk gat in de markt en een Indiër, Surdad Srinivas, was met beide benen in dat gat gesprongen. De Grote Goeroe heette hij tegenwoordig. Hij bood zijn volgelingen – dertig procent van alle mensen op Nieuwe Aarde – een mengeling van humanisme, religie en filosofie, waarbij hij er goed voor zorgde geen enkel ideaal te verwoorden dat bepaalde groepen tegen hem kon innemen. Een tamelijk vrijblijvende cultus, maar zijn persoonlijke charisma trok iedereen aan die iets zocht om in te geloven. En Surdad Srinivas had AB+bloed.

Met veel moeite kon Walter de man te spreken krijgen zonder idolate acolieten in de buurt. Hij legde uit wat hij van plan was en de Indiër bleef lange tijd voor zich uit zitten staren. Walter wist dat juist zulke lange stiltes bijdroegen tot de macht die de Goeroe over zijn volgelingen had. Als je heel gespannen wacht op wat iemand zal gaan zeggen, krijgt wat er tenslotte wordt gezegd een groot gewicht.

Tenslotte glimlachte Surdad. ‘Ik heb er wel zin in. Als ik het streven naar een erg lang leven tot ideaal verhef en beweer dat het mogelijk is om je leven te rekken door goed te leven en veel te mediteren; en als ik dan zelf het goede voorbeeld geef door almaar niet ouder te worden...’

‘Een wonder!’ beaamde Walter. ‘Dan kan hun geloof in u gewoon niet meer kapot.’


De eerste vergadering van de groep van negen verliep dramatisch. Ze waren die avond allemaal met Walters bloed besmet en bespraken hoe zij in de toekomst moesten samenwerken. Geen van hen vertrouwde de andere acht, maar zoals Walter de anderen verzekerde, ze waren stuk voor stuk zo belangrijk voor de groep, vooral als fase 2 straks zou beginnen, dat zij geen van allen gemist konden worden.

‘Nou...’ zei Surdad Srinivas. ‘Stuk voor stuk...’

De anderen keken hem verwonderd aan.

‘Ja toch?’ zei Marianne. ‘Daarop zijn we allemaal geselecteerd.’

Surdad schudde zijn hoofd. ‘Eén van ons is niet geselecteerd.’

Iljah Varsavski knikte bedachtzaam. ‘En dat is nou net degene op wie fase 2 zich zal gaan richten.’

Adamo Belloni zei: ‘Als onze vriend Walter een aannemelijk ongeluk overkomt zullen de mensen die hem bewaken denken dat het afgelopen is met het langleefvirus.’

Walter sprong overeind. ‘Zijn jullie belazerd? Jullie hebben allemaal aan mij te danken dat je nu dat virus hebt!’

‘En daar zijn we je ook heel erg dankbaar voor,’ suste Belloni vlak voordat hij de kolf van zijn straler op Walters hoofd liet neerkomen. ‘We zullen er dan ook voor zorgen dat je niet zal lijden tijdens je ‘‘ongeluk’’.’


4

Een week later begon Marianne zich zorgen te maken over haar kindje. Het schopte en trapte dat het een lieve lust was, maar leek niet meer te groeien. Vladimir Popova nam het niet zo serieus. Hij luisterde naar het hartje en onderzocht hoe groot Marianne’s buik was.

‘Het is iets aan de kleine kant maar het valt ruim binnen de normale grenzen. Wat had je anders verwacht? Het virus is er om je gezond te maken, niet om de boel te verzieken.’

‘Als ik dat niet had verwacht, had ik het virus natuurlijk niet genomen,’ zei Marianne ongelukkig. ‘Maar het virus wil misschien alleen mij maar gezond houden, niet de baby.’

‘Die heeft AB+bloed,’ zei Popova. ‘En je kunt er donder op zeggen dat ze via jouw placenta dat virus heeft!’


Drie weken later was de baarmoeder nog steeds geen centimeter groter geworden en toen ging ook Popova zich zorgen maken.

Een amnioscopie vergde wel wat voorbereiding, want er moesten geen vragen komen over een plastisch chirurg die een zwangere vrouw wilde onderzoeken. Maar tenslotte wist Popova het zo te regelen dat slechts één verpleegster ervan op de hoogte was, en die wist haar mond te houden als Popova dat wilde. Na het onderzoek stuurde Popova haar weg en keek Marianne ernstig aan. ‘Het kind is zo gezond als een vis.’ Marianne’s gezicht klaarde op, maar Popova stak een hand op. ‘Alleen, het ziet er voor honderd procent uit als een foetus van zeven maanden.’

‘De status quo...’ fluisterde Marianne bleek en Popova knikte.

‘Het virus in het bloed van je dochtertje weet niet beter of het lichaampje hoort zo te blijven als het is. Dus zorgt het er voor dat het niet meer groeit. Het virus weet niet dat het kind nog niet volgroeid is.’

‘Grote Aarde, wat kan ik doen?’

Popova haalde zijn schouders op. ‘Ik weet maar één ding, Marianne. Dat kindje moet verdwijnen.’

‘Vermoorden bedoel je?’ zei Marianne schril. ‘Mijn eigen kindje? Het is zeven maanden, Vladimir! Het gaat niet om een abortus!’

‘Het is zeven maanden, ja. En als we niets doen loop je over een jaar nog met een foetus van zeven maanden in je buik. Als we het nu halen en in een couveuse stoppen ligt er over zestien jaar nog steeds een premature baby in. Dat trekt de aandacht, Marianne. Het kind kan echt niet blijven leven.’

Marianne begon te huilen. Ze merkte nauwelijks dat Popova de verpleegster belde en haar vroeg een tablet pactodorm te halen. Toen Popova haar even later een beker voorhield en een tablet tussen haar lippen schoof – ‘Hier, dit zal je helpen wat tot rust te komen!’ – slikte ze het bijna gedachteloos in.

Popova ging achteruit zitten en wachtte. De verdovingspil zou binnen tien minuten werken. Dan kon hij het kind geboren laten worden en laten verdwijnen. Maar een half uur later was Marianne nog klaar wakker. Het virus had het medicijn herkend als iets dat niet in haar lichaam thuishoorde en het dus geneutraliseerd.

Het half uur rust had echter wel kalmerend gewerkt. Tenslotte keek ze hem met een wrange glimlach aan.

‘Ik heb mezelf nu wel weer in de hand. Bedankt dat je zoveel geduld met me had. Ik zal er nu thuis rustig over gaan nadenken.’

‘Prima,’ zei Popova. ‘Dan hebben we het er verder morgen wel over.’

De volgende avond waren alle andere leden van de groep van acht het erover eens dat Marianne’s kind zo snel mogelijk moest verdwijnen en Marianne kon er geen zinnig argument tegenover zetten. Tweehonderdvijftig jaar lang hoogzwanger rondlopen was uitgesloten, en wat haar kindje betrof was het onheil toch al aangericht. Maar nu bleef nog de vraag hoe het kind gehaald moest worden.

Popova’s mislukte poging om Marianne te verdoven had duidelijk gemaakt dat noch een chemisch middel om de baring op gang te brengen, noch normale verdovingsmiddelen bij een keizersnede een kans maakten bij deze patiënte. Tenslotte haalden ze er een acupuncturist bij, aan wie verteld werd dat het kindje al was overleden. De verpleegster die door Popova werd gechanteerd nam het foetus mee zonder dat het overige operatiepersoneel het zag en toen kraaide er verder geen haan meer naar.


Marianne Duval was niet de enige die aanliep tegen de consequenties van het virus.

Het succes van Erhard Ringers holovisieprogramma was toe te schrijven aan zijn opgewekte gevoel voor humor, zijn charmante manier van presenteren en zijn uitstekende connecties. In elk geval niet aan een opmerkelijke intelligentie, en hij was dan ook een van de eersten die door een onhandigheid tegen de lamp liep.

Op een avond hield zijn vrouw hem toen hij thuiskwam een opgerold verband voor zijn neus. Erhard had zich twee weken tevoren gesneden aan schroeinetel in de tuin en zulke wonden veroorzaakten akelige zweren. Zijn vrouw had hem verbonden en erop aangedrongen dat hij ermee naar de huisdokter ging. Hij had beloofd dat te zullen doen, maar het sprak vanzelf dat hij niet ging. Een arts zou misschien iets ongewoons kunnen opmerken aan zijn lichamelijke toestand en bovendien was het niet nodig: het virus zou er wel voor zorgen dat de wond genas.

Twee dagen later was de wond al praktisch genezen. Efficiënte beestjes, die virussen! Om zijn vrouw niet aan het denken te zetten had hij elke dag een schoon verband om zijn hand gedaan. Hij wimpelde het aanbod van zijn vrouw af, hem daarbij te helpen en dacht dat hij de zaak heel goed had aangepakt.


Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-24 show above.)