Excerpt for De Beschermgeest by Tais Teng, available in its entirety at Smashwords

De Beschermgeest

door Tais Teng


De beschermgeest Copyright 2012 Tais Teng
Omslagillustratie Copyright 2012 Tais Teng
Samenstelling en redactie: Mike Jansen

ISBN: 978-1-4657-2620-9


Verantwoordelijke uitgever: Tais Teng. Uitgebreide informatie over alle Tais Teng-titels is te vinden op www.taisteng.nl


Dit boek is verschenen onder het Verschijnsel-imprint. Verschijnsel is een imprint voor oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur van meerdere uitgeverijen in digitale vorm. Deze e-boeken zijn bijeengebracht op verschijnsel.net.


Uitgeverij Verschijnsel heeft zijn eigen fonds van oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur, uitgebracht in gebonden edities en/of in paperback. Uitgebreide informatie over al deze titels, inclusief romanfragmenten en complete korte verhalen, is te vinden op www.verschijnsel.net


No part of this book may be reproduced in any form, by print, photo-print, microfilm or any other means without written permission from the publisher / Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


***

Smashwords Edition, License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.

Dit boek is opgedragen aan alle Goth-meisjes en jongens van Nederland.


Hecate zegene jullie!


1.


‘Frankiepankie,’ fluistert Erik achter Franks rug. ‘Is je onderbroek nog steeds vuil?’ Zo zacht dat de leraar de woorden onmogelijk kan horen.

‘Frankiepankie. onderbroek.’ Frank hoort de woorden door de klas kaatsen. Misschien is het verbeelding en is Erik de enige die ze uitspreekt.

Het is zulke kinderachtige onzin! Zijn onderbroek is brandschoon en van iedere naam kun je wel iets belachelijks maken. Je schouders ophalen of doen alsof je niets hoort, werkt niet. Erik geeft het nooit op: hij gaat eindeloos door met jennen.

Haat heeft een smaak, ontdekt Frank. Het is alsof je over het contact van een batterij likt: koper en elektriciteit. Haat is groen en sissend en het vult je hersens tot ze bijna uit je schedel barsten.

Ik vermoord je! Ik maak je af, Erik.

De woorden komen nooit over zijn lippen. Erik is een kop groter dan hij en buiten op straat gelden al helemaal geen regels.

Bovendien heeft Erik een hond. Kinzo is zo’n mormel dat eigenlijk onder de wapenwet hoort te vallen. Vaalgrijs, met overal woeste plukken haar. Een kop alsof hij tegen een betonnen muur is gebotst. Gele tanden.

Meestal zit dat monster geduldig onder de plataan aan de overkant te wachten tot Erik uit school komt.

Lianne stoot hem aan. ‘Let niet op hem. Hij weet niet beter.’ Hij kijkt haar dankbaar aan en ze knipoogt terug. Zulke prachtige ogen, gaat het door hem heen, grijs als de zee.

Hij wendt meteen zijn hoofd af, want hij kan Eriks blik in zijn nek voelen prikken.

‘Frankiepankie is op Lianne!’ In zijn verbeelding hoort hij Erik dat al over het schoolplein joelen. En zodra Erik dat roept, is alles verpest. Het wordt kleverig, iets om over te grinniken en te smiespelen. Ook al is het nog zo waar.

Erik, ik haat je!


Na het laatste uur wacht hij in het halletje voor de wc tot hij Erik het schoolplein ziet oversteken. Zijn kwelduivel haakt Kinzo’s ketting los en ze slaan de Plutodreef in. Niet naar links dus.

Hij snelt naar de fietsenstalling en rukt zijn fiets uit de klemmen. Allebei zijn banden zijn plat.

Dus daarom liep Erik eerst naar de fietsenstalling... Hij hurkt bij zijn voorwiel: het ventiel is verdwenen.

Franks beste vriend Sergei stopt naast hem.

‘Problemen?’

Frank zucht. ‘Weet jij een fietsenmaker in de buurt?’


Nadat hij Frank bij de rijwielwinkel afgezet heeft, moet Sergei meteen door. Voetbaltraining.

‘Geef me wat extra ventielen mee,’ zegt Frank tegen de fietsenmaker. ‘Dit is vast niet de laatste keer.’

‘Zal ik er dan maar acht doen, jongeheer?’

Frank snijdt de weg terug naar school af over het oude fabrieksterrein. De loodsen worden als opslag gebruikt door een papiergroothandel.

Een van de stalen deuren staat op een kier. Vreemd.

In Franks ooghoek glanst iets geels. Hij stopt.

Het hangslot van de loodsdeuren ligt naast een vertrapt bierblikje. Opengewrikt.

Er is iemand binnen. Een dief. Eigenlijk zou hij nu zonder uitstel naar de voorkant moeten lopen. Sinds de poging tot brandstichting de vorige maand zit er dag en nacht een bewaker in het glazen hokje.

Dat zou het slimst zijn. Misschien is het enkel om te bewijzen dat hij geen ‘Frankiepankie’ is: Frank trekt de deur van de loods een paar centimeter verder open en glipt door de kier naar binnen.

Rijen manshoge papierrollen strekken zich zeker vijftig meter uit. In het schemerige licht lijken ze grauw, de kleur van goedkope wc-rollen.

Hij ruikt stof en de zurige lucht van nieuw papier. Dat en een volkomen andere geur. Een die hier beslist niet thuishoort.

Benzine.

‘Als dat Frankiepankie niet is...’ Franks hart mist een slag en begint dan razendsnel te hameren.

Erik stapt uit een zijgang het laadpad op. Hij houdt een klotsende jerrycan in de hand.

‘Kinzo, sta!’

Vlak achter Frank klinkt een rochelende grom. Eriks vechthond verschijnt tussen Frank en de uitgang.

‘Een beetje stom. Grote mensen storen als ze hard aan het werk zijn.’ Erik heeft een nogal hese stem: zodra hij te luid spreekt slaat zijn stem over. Niemand in de klas zal daar ooit een geintje over maken.

‘Je bent knettergek,’ zegt Frank. Wat een weinig originele, maar wel een volledig juiste opmerking is. ‘Als de loods in de fik vliegt, gaat de halve wijk eraan!’

Een slow motion glimlach kruipt over Eriks lippen. ‘Kinzo en ik houden van vuurwerk. Zo hoeven we niet op Oudjaar te wachten.’ Hij stapt naar voren en grijpt Frank bij zijn windjack. ‘Als je mij erbij lapt, één kik en je gaat eraan.’ Zijn stem klinkt volkomen vlak, amper menselijk. Hij geeft Frank een zet. ‘En nu opdonderen jij.’


Frank sprint in een rode waas van doodsangst door de brandnetels. Pas halverwege de Vivaldidreef ebt zijn paniek weg. Hij hapt naar adem, steunt met beide handen op de rand van een betonnen bloembak.

Ik moet terug. De bewaker waarschuwen. Dat gebouw brandt als een fakkel.

Het is alsof Frank tegen een orkaan in moet worstelen. Angst maakt zijn benen zo slap als deeg. Gaandeweg komt echter zijn oude woede terug. Hij versnelt zijn pas, begint te rennen.


De bewaker ziet Frank niet naderen: met een mok koffie in de hand tuurt hij naar een draagbare tv, terwijl hij met zijn andere hand een Penthouse doorbladert.

Frank bonkt het stalen trapje op en roffelt met zijn vuisten op het veiligheidsglas. ‘Meneer!’

De man draait zich log als walrus om en waggelt naar de deur. ‘Is er?’

‘Ik liep net langs de achterste loods en ik rook een brandlucht.’

‘Brandlucht?’ De man rukt zijn mobieltje uit zijn riemclip. ‘Zeker weten?’ Hij wacht niet op antwoord en toetst een nummer in.

‘Bedrijfsterrein de Pluvier. Ja, dat is inderdaad met al dat papier. Iemand rook een brandlucht.’ Hij schuift de mobieltje terug in zijn riemclip. ‘Als dit een geintje is...’

Frank hoort een gedempte plof: een geluid dat, hoewel niet luid, op de een of andere manier kolossaal klinkt. Metershoge vlammen wapperen ineens boven het dak. Twee, drie seconden later springen de ruiten.

‘Shìt! Waarom deed het brandalarm het niet?’

Omdat Erik ongetwijfeld de draden doorsneed, denkt Frank maar hij zegt geen woord.

Aan de overkant van het grasveld schiet Kinzo als een grauwe schicht over het gras. Erik volgt hem op een paar meter afstand, lachend als een kakelende kip. Een rij struiken onttrekt hen aan het gezicht en vrijwel meteen hoort Frank een brommer starten.

De bewaker staart Erik na.

‘Te ver weg om zijn gezicht te herkennen. Die jongen heeft er vast meer mee te maken.’ Hij kijkt Frank aan. ‘Ken jij hem? Hij had een hond.’

Nu kan ik eindelijk wraak nemen. Lap Erik erbij. Dit is een rotstreek waar hij zich never nooit uit kan lullen. Al wast hij zich tien keer, de geur van benzine blijft aan zijn handen kleven. De politie is tegenwoordig erg goed als het op zulke sporen aankomt.

Hij knijpt zijn ogen dicht, slikt. ‘Nee, sorry. Ik heb hem nooit eerder gezien.’

En Frank beseft dan dat hij inderdaad een Frankiepankie is, een lafaard. Al zou hij de rest van zijn leven elke dag een prinses redden of een weerwolf verslaan, dit moment valt nooit meer uit te wissen.

2


Franks moeder wroet innig tevreden in de aarde, met haar knieën op een kussen van schuimplastic. Op het tuinpad zoemt een zwerm verontwaardigde bijen om een bos onkruid.

‘Ha die Frank.’ Ze veegt een lok voor haar ogen weg. ‘Hoe was het op school?’

‘Gewoon. Ging wel.’

Frank probeert zo normaal mogelijk te klinken, vooral niet huilerig. Klagen over Erik zou zeldzaam stom zijn. Als ouders zich met ruzies bemoeien, wordt het alleen maar erger. Kinderen kunnen je beter voor ‘Frankiepankie onderbroek’ uitschelden dan ‘Moederskindje’.

‘Een of andere klojo had de ventielen uit mijn banden getrokken.’

‘Ik ken dat.’ Ze klakt met haar tong. ‘Weet je, toen ik in Utrecht studeerde, moest ik wekenlang met een jaszak vol ventielen rondlopen. Zodra je je fiets neerzette, liet zo’n rotjoch je band leeglopen.’ Ze haakt een moskrabber in de voegen van het tuinpad en begint te schrapen. ‘Denk je aan je huiswerk?’

‘Ja ma,’ zucht Frank.

‘Sorry, moeders zijn nu eenmaal dol op zeuren.’


Als Frank de trap naar zijn kamer oploopt, wordt hij bij elke piep en knars van een tree een fractie kalmer, iets minder opgefokt.

Misschien is het juist wel dat ‘Denk je aan je huiswerk? van zijn moeder. Zo vertrouwd: thuis heeft niks met Erik van doen. Thuis hoef je niet te piekeren over lafheid of lef. Trouwens, tegen een kerel met zo’n bloedhond heeft dapperheid toch geen enkele zin? Lianne zei het een keer zo mooi: ‘Tegen een gek met een pistool is zelfs de hoofdcommissaris beleefd.’

Frank kijkt zijn kamer rond en het laatste spoortje angst verdwijnt. Hier zit hij even veilig als een vogeltje in een nest van prikkeldraad.

Aan de muur prijkt zijn poster van Xena, op zo goed als ware grootte.

Xena the Warrior-princess is beslist Franks favoriete tv-serie. De bloedmooie knokvrouw is misschien een beetje te oud voor hem, minstens vijfentwintig als het geen dertig is, maar Xena zou wel de ideale vriendin zijn. O yes, een blafje van Kinzo en ze hakte dat mormel met haar zwaard finaal doormidden.

Ja, en dan hingen we die nare lebberkop aan de garage. Kon hij naar hartelust kwijlen.


Frank haalt het toetsenbord naar zich toe, schuift de cd-rom met zijn favoriete spel in de poort.

Zijn blik glijdt over het rek met houten zwaarden terwijl Wizard of Darktower geladen wordt.

De scimitar, het tweehandige slagzwaard en de bloederige beulsbijl stammen nog uit groep zes. Veel te mooi om weg te gooien. De zilververf ziet intussen dof van het aangekoekte stof. Aan de steel van de bijl zwiert zelfs een spinnenweb.

Vooral zo laten. Moordwapens horen niet te glimmen.

De computer geeft een waarschuwende piep. Bloedrode letters druipen over het scherm.

‘Beware, foolish mortals,’ rommelt een trollenstem. ‘Beware the Wizard of Darktower!’

Stom, het spel staat nog op Engels.

Frank klikt het hokje met NL aan.

‘Hoed u, dwaze stervelingen!’ herhaalt de trol. ‘Hoed u voor de Magiër van de Duistertoren!’


Zodra de rij met figuren verschijnt, klikt Frank op Cedric de zwaardvechter. Je kunt ook de Magiër van de Duistertoren zelf spelen, maar daar heeft Frank nog nooit voor gekozen. Het zou als verraad voelen na zoveel spelletjes als Cedric: bovendien houdt hij liever een strijdbijl dan een toverstaf vast.

De magiër houdt de prinses hoog in zijn Duistertoren gevangen vermoedt Frank. Helaas heeft hij zich nooit ver genoeg de toren in geknokt om een glimp van haar op te vangen.

Hoewel hij dat nooit tegen Sergei zou toegeven ziet Frank Lianne voor zich, elke keer dat hij aan de prinses denkt. Met wat langer haar en krullen misschien, per slot van rekening gaat het hier om een prinses, maar in ieder geval met Liannes grijze ogen.



Op het beeldscherm is het nacht. De maansikkel bungelt boven de kantelen van de Duistertoren, even krom als Franks scimitar. Wolvengehuil uiteraard.

Pas als je op de jagende wolkenflarden inzoomt, ontdek je dat het geen nevels zijn maar zwermen uilen. Honderden, duizenden spierwitte uilen.

Frank heeft het intro overgeslagen: Cedrics aankomst in het dorp. De eenogige herbergier vertelt Cedric over de magiër en de prinses in zijn toren terwijl zijn zoon Cedrics geldbuidel probeert af te snijden. Dat stuk kent Frank intussen wel en het is bovendien zo saai! Heb je een herberg tjokvol struikrovers, beschonken houthakkers en beurzensnijders, wil niemand vechten…


Frank legt een pijl in de groef van zijn kruisboog. Hij staat middenin een verlaten kerkhof, vol scheefhangende zerken en opengebroken tombes. Het sparrenbos begint een meter of twintig verderop.

Het is stil. Verdácht stil zou een zwaardvechter als Cedric meteen constateren. Het wolvengehuil is weggevallen en zelfs de sparren ruisen niet langer.

De eerste keer hield het spel hier op. Zodra hij de Twee Zusters opmerkte, hadden ze Cedric al in de nek gebeten. Tien hartenkloppen later was hij morsdood, leeggezogen als een oversized bromvlieg.


De scorelijst wreef hem zijn stupiditeit nog eens lekker in. ‘0 bonuspunten, 0 levens. Dwaze zwaardvechter, je bent dood en dood en driewerf dood! De ratten zullen aan je botten knagen en geen maagd zal jammeren bij je naamloze graf...’


Een spinnenweb wappert aan de onderste tak van een spar, hoewel de bries weggevallen is.

Spinrag. Het teken van de Twee Zusters.

Frank houdt onwillekeurig zijn adem in. Zijn vingertoppen zweven een millimeter boven de toetsen. Zolang Cedric geen vin verroert, blijft hij onzichtbaar voor de Zusters. Net als jagende spinnen hebben ze een trilling van hun web nodig om hem te lokaliseren, een siddering van hun prooi.

De oudste Zuster glijdt uit de schaduw van de spar. Een sluier van zwarte kant bedekt haar ogen en ook de rest van haar lichaam is verborgen onder wervelende rokken. Kettingen van git en opgewreven drakentanden fonkelen in het maanlicht.

Ze draait haar hoofd met zenuwachtige schokjes en springt dan het open veld op. Het is de sprong van een jachtspin in mensengedaante: razendsnel en meters ver.

De Zuster sluipt neuriënd van struik tot struik, tikt pollen zegge en rottende boomstronken aan. Uit haar vingertoppen wervelen draden spinrag die gaandeweg een glinsterend web over het kerkhof leggen.

Laat haar de andere kant uitkijken! smeekt Frank de onbekende ontwerper van het spel. Al is het maar voor een seconde.

Slechts wanneer een Zuster haar hoofd afwendt, maakt hij een kans om haar te raken. Anders stapt ze domweg voor zijn pijl opzij.

‘Hij komt van de wereld zo grauw,’ zingt de Zuster, ‘onze zak van roze huid en glanzend haar. O, vol, klotsensvol geurig bloed.’

De tweede Zuster landt abrupt naast haar op een grafsteen. Frank heeft haar niet eens zien springen.

‘Ja, uit het Land van As en Slijk.’ Ze spreidt haar armen met een triomfantelijke giechel: een net van spinrag wervelt de hemel in en daalt in sluiers neer.

Haar zuster neemt het lied over: ‘Ay, Land van As en Slijk. Grauwe wereld, waar je maar één leven hebt en je de klok nooit mag terugdraaien.’

Zodra het web Cedric insluit, is hij verloren. Geen zwaard kan hun spinrag kappen en elk contact met de blote huid is dodelijk. Niet dat het blote huid hoeft te zijn: het gif op de draden vreet even vlot door een bronzen schild of een stalen harnas heen.

De Zusters dansen naar elkaar toe.

‘O schoonste aller vrouwen,’ zoemt de eerste.

‘O, wreedste aller deernen,’ antwoordt de andere en omhelst haar.

Cedrics pijl boort zich door beide nekken zodra hun lippen elkaar raken.

3


In de wereld van de Duistertoren is het zeldzaam onverstandig om je aandacht ook maar een moment te laten verslappen. Als Cedric behoedzaam, te behoedzaam, over de laatste draad stapt, neemt de goblin hem bijna te grazen.

‘Staah stilll!’ Het natte mos barst open en de kluiten aarde vliegen Frank om de oren. ‘Versss Vleesss!’ De goblin zakt knarsend door zijn spillebenen en springt Cedric naar de keel.

Franks vingers ratelen over de toetsen. Cedric maakt drie salto’s en hakt met zijn sabel omhoog.

Het hoofd van de goblin rolt over het mos.

Prima. Dat is alvast nummer één van de woudmonsters.

Cedric tilt de kop aan de vettige krullen op.

Vingers weg van die happende kaken! Mooi, nu plak ik de ogen dicht met het handvol zwarte spinrag dat ik van de rok van een Zuster gescheurd heb.

Een goblin onthoofden is niet genoeg heeft Frank door schade en schande geleerd: ze zijn zo goed als onsterfelijk. Het hoofd rolt doodleuk terug naar het lijf en groeit weer aan de nek vast.

Met dichtgeplakte ogen zal het hoofd nooit in de blind rondgraaiende handen kunnen stuiteren.

Frank kijkt het lichaam met een tevreden grijns na. Het stommelt met gestrekte armen door het bos, botst tegen boomstammen, spettert door een beekje. Uit de keel spuit een fontein van groen, lichtgevend bloed.

‘Laaatth mij vvvrij!’ sist het goblinkop uit Cedrics rugzak. ‘Ik vervul al je wensssen!’

‘Goblins kunnen geen wensen vervullen,’ typt Frank. ‘Bovendien heb ik je straks nog hard nodig.’


Frank weet de Valse Dwerg Met de Muts der Onzichtbaarheid in zijn eigen valkuil te lokken.

Aan de Slangenvrouw ontkomt hij door een omgehakte heilige eikenboom op haar staart te laten storten.

Hoewel je dit level geen twee keer hetzelfde speelt, is het intussen bijna te makkelijk.


Het wildspoor gaat in een karrenpad over en waaiert vervolgens uit tot een Romeinse legerweg. De platen marmer glanzen in het sterlicht, gladgeschuurd door de eeltzolen van trollen en duisterlingen.

Aan het eind speert Duistertoren de hemel in, een opeenstapeling van barokke gevels en kantelen.

Een robijn met facetten van zo’n dertig meter vormt de spits. De edelsteen wordt van binnenuit verlicht door gloeiende aders.

Ook de rest van het kasteel is gigantisch: je kunt het Muiderslot op Loevestein stapelen en nog niet tot halverwege de dakbalken van de ponystal komen.


‘Hoor mij, poortwachter!’ Cedric bonkt met het gevest van zijn zwaard op de bezoekersingang die in de vijftig meter hoge hoofdpoort uitgezaagd is. ‘Goed volk!’

Cedric is uiteraard goed volk, een held. Al denkt de magiër daar misschien anders over.

‘Mijn meester verwacht u.’ De poortwachter is een bultenaar. Met een laarspunt veegt hij een verschrompelde hand opzij en buigt. ‘O, hij verwacht alle gasten. En zij zijn welkom. Of zij nu met getrokken gifdolk of kleurige gladiolenbos aankloppen.’

Cedric springt net op tijd in de lucht. De bult splijt open en de schorpioenenstaart van de portier zwiept onder Cedrics zolen door.

Cedric laat zijn laatste dolk in het hart van de bultenaar achter.


Nu rest alleen Garmenghast.

De weerwolf wacht Cedric aan de voet van de marmeren wenteltrap op. Hij zit middenin zijn verandering: een wolvenkop op een grijsharig gorillalijf.

‘Geen wapen kan mij deren, barbaar,’ verklaart het monster. ‘Noch het vlijmend scherpe staal van uw slagzwaard. Evenmin een knots van zilver.’

‘Grootmoeder,’ typt Frank, ‘waarom heb je zulke grote tanden?’

‘Grootmoeder?!’ Het monster springt met een brul die Franks boxen bijna opblaast op hem af.

‘Vangen!’ Cedric mikt het goblinhoofd in de muil. De kop bijt de wolventong af en rolt gniffelend de keel in.

Cedric raapt het bloederige kop van de goblin op. Van de weerwolf is weinig meer over dan een handvol botsplinters, flarden vacht: afgehakte goblinkoppen kunnen door blijven schrokken zonder zich zorgen te maken over een opengescheurde maag.

Cedric trekt de slappe Muts der Onzichtbaarheid over zijn hoofd. Het hoofddeksel heeft de vorige keer bedroevend weinig tegen de magiër geholpen, maar je weet maar nooit.

4


De wenteltrap draait zich als een kurkentrekker om de Duistertoren omhoog. De stenen van de binnenmuur zijn weinig meer dan decoratie heeft Frank al eerder ontdekt. Overal waar de specie verkruimeld of de steen gebarsten is, glanst gelig metaal. De ware Duistertoren moet een kolossale bronzen cilinder zijn.

Een laatste winding en een demonenkop blokkeert de gang: je kunt de werkkamer van de magiër enkel binnen via zijn muil.

De demon spert zijn bek even gewillig open voor officiële bezoekers als barbaarse insluipers. Het enige en fatale verschil is dat hij bij een insluiper na een stap of drie zijn kaken dichtklapt en krachtig kauwt.

‘Wie heeft vleugels als de nacht en de ogen van een godin?’ vraagt de demon. Het had de stem van een dodelijk vermoeide engel kunnen zijn.

‘Ramnille van de Zeven Wilgen,’ typt Frank.

De eerste zes keer gaf hij het verkeerde antwoord en de demon vermaalde hem prompt tot heldenpulp.

Frank heeft geen idee waar dat ‘Ramnille’ op slaat. Hij had het antwoord uiteindelijk op een Hints & Cheats site van Internet gevonden.

‘Ramnille van de Zeven Wilgen is juist. U kunt doorlopen.’

Frank wringt zich langs de slagtanden. De huig zwaait opzij, een slijmerige zak vlees, en de werkkamer van de magiër ligt voor hem.

Rustig. Nu niet in de wilde weg wandkleden van de muur rukken om de geheime gang naar de prinses te vinden. Het duurt altijd een minuut of vier voor mijn vijand komt opdagen.

De vorige week was Frank overmoedig geweest. Hij droeg immers de Muts der Onzichtbaarheid? Knappe tovenaar die hem ontdekte voor hij zijn hoofd afsloeg!

Zodra de magiër over de drempel van demonentanden stapte, snoof hij als de reus uit Klein Duimpje.

‘Onzichtbaarheid baat je niet, zwaardvechter. Heb ik geen neus om je ongewassen voeten te ruiken? Geen oren om het bonzen van je angstige hertenhartje te horen?”

Met twee stappen bereikte hij zijn lessenaar en griste een bril uit een schedel. De glazen glommen als versteende honing: ongetwijfeld barnsteen.

‘Zie je!’ zong hij. Net als alle vorige keren zwiepte zijn staf in Franks richting. ‘Petra,’ sprak de magiër, ‘petra petrissimus!’

In de toverspiegel aan de wand zag Frank Cedric tot een beeld verstenen. Deze keer geen grauwe lei met strepen vogelpoep, maar bruin bierflessenglas. Waarschijnlijk omdat hij onzichtbaar geweest was.

Niet dat het ook maar iets uitmaakte: Cedric was even morsdood als de negentien vorige keren geweest en een seconde later stond hij opnieuw aan de rand van het duistere woud. Level één, zonder goblinhoofd of muts.

Ditmaal moet ik het intelligenter aanpakken. Vind een wapen. Iets effectievers dan mijn werpmessen of kruisboog. Neem de tijd om rond te kijken.

Zoals altijd vormt een inktzwarte kaars de enige verlichting. De kaars zweeft boven de lessenaar van versteend hout en is anderhalf keer zo lang als Franks gestrekte arm. Middenop het schrijfblad van drakenleer ligt een toverboek.

Zijn grimoire! Wat ben ik toch een ongelofelijke oen. Het enige wapen tegen een tovenaar is natuurlijk een spreuk, een bezwering.

Cedric snelt naar de lessenaar, strekt zijn hand uit.

Een explosie van paarse vonken! Cedric vliegt door de kamer en smakt tegen een kast. Een lawine van opgezette ratten en uitgeblazen drakeneieren stort over hem heen.

Dit was blijkbaar niet de juiste manier.

‘OPEN BOEK,’ typt Frank.

Hebbes! Het beeld zoomt in op de lessenaar.

DE ZEVEN ZEGELS VAN ARDEK DE EINDELOZE, verkondigen protserige gouden letters. Daaronder kronkelt een zilveren draak zich om een ster met zes punten.

Een magische windstoot slaat het boek open en bladert razendsnel door de bladzijden.

Het geritsel stopt: de inhoudsopgave vult het scherm.

1. ROEP NEGEN VUURGEESTEN OP OM DE VARKENSSTALLEN VAN UW AKELIGE NABUUR PLAT TE BRANDEN!

2. SPIN GOUD VAN STRO EN ANDERE REPELSTEELSE SPREUKEN! DE EERSTE SPREUK GRATIS!

3. VERANDER UW ECHTGENOOT IN EEN PAD OF ANDER ONREIN SLIJMDIER EN LEEF NOG LANG EN GELUKKIG!

Het lijkt verdacht veel op advertenties. Net als al die troep die we steeds via de e-mail krijgen.

Frank klikt op de derde spreuk.


De bezwering blijkt verrassend eenvoudig: zes woorden, een drietal handgebaren.

Frank herhaalt de woorden tot de spreuk rotsvast in zijn geheugen zit.

Als het toch slijmerig mag, dan vind ik een slak veiliger dan een pad. Een wijngaardslak kan moeilijk met zijn toverstaf zwaaien en spreken doen slakken al helemaal niet. Bij padden weet je dat maar nooit.

‘Nog steeds onzichtbaar?’ De tovenaar heeft zijn bril opgezet, ziet Frank. ‘Ik hoopte op een minder zulthoofdige tegenstander.’

Frank roteert zijn handen met de pijltjes, klapt. De tovenaar verstijft en zijn brillenglazen kleuren inktzwart. Het geeft Frank net genoeg tijd om de toverwoorden te typen.


Franks beste vriend neemt zijn mobieltje bij de derde rinkel op.

‘Het is me gelukt!’ roept Frank. ‘Ik heb hem te grazen genomen, Sergei!’

‘Wie? Erik?’

‘Welnee. De tovenaar! De Magiër van de Duistertoren.’

Frank heeft het spel van Sergei geleend. Zijn vriend is minstens even fanatiek als hij. Al is Sergei pas één keer voorbij de poortwachter gekomen.

Dit is nog steeds hun enige schijfje: zodra ze het probeerden te kopiëren, sloeg de computer op tilt en keken ze tegen een blauw scherm aan.

‘Hij kruipt nu over de vloer van zijn eigen werkkamer. Als slak. Ik gebruikte zijn eigen toverboek tegen hem zie je.’

‘Je kon de spreuken gewoon lezen? En ze werkten?’

‘O ja, ik heb al een zak goud getoverd, en net zo’n zwaard als Xena.’

‘Laat de tovenaar eens zien.’

‘Komt ie.’ Frank houdt de lens van zijn mobieltje voor het beeldscherm, stuurt de foto door.

‘Lekker vette slak. Man, wat ziet hij er nijdig uit!’

‘Nijdig?’ Frank zoomt met de +toets op de slak in. ‘Verdraaid, hij heeft een mensengezicht!’

‘Wil je het morgen nog een keer over spelen?’ vraagt Sergei. ‘Zodat ik ook in zijn werkkamer kan komen?’

‘Goed. Alleen weet ik niet of het me een tweede keer lukt. De computer onthoudt al mijn trucs.’

‘Wacht even. O, shit. Mijn moeder roept dat ik nú de lege flessen naar de glasbak moet brengen. Zie je morgen, oké?’

‘Oké.’


Een half uur later heeft Frank de geheime uitgang van de kamer nog steeds niet gevonden. Het grimoire biedt geen enkele assistentie. Zelfs de spreuk voor het opsporen van verborgen schatten werkte niet: blijkbaar geldt een ontvoerde prinses niet als verborgen schat.

Frank leunt in zijn bureaustoel achterover en masseert zijn nek.

Te lang doorgespeeld. Te gespannen ook.

Niet stoppen. Als ik nu ophoud, raak ik alles kwijt. In Wizard of Darktower kun je niks saven, heeft Frank al bij het eerste spel gemerkt. Als je het spel uitzet, moet je de volgende keer opnieuw bij de bosrand beginnen.

Sergei geloofde dat ik Erik te grazen had genomen. Was het maar waar! Als ik hem in een slak kon veranderen... Of Kinzo. Zonder hond is hij niks. Oké, nog steeds een stuk sterker dan ik, maar niet sterker dan Sergei én ik.

Frank opent het toverboek opnieuw. De inhoud is veranderd: van de spreuk om mensen in padden of andere slijmdieren te veranderen valt geen woord meer te bekennen.

3. ROEP UW BESCHERMGEEST OP EN VREES GEEN VALSE VRIEND OF VUIGE VIJAND MEER! staat er nu. AL UW WENSEN VERVULD ZODRA U ZE UITSPREEKT!

Een beschermgeest. Een soort bovennatuurlijke waakhond, die net als Kinzo al je vijanden naar de strot vliegt. Dat zou prachtig zijn. Vooral als hij ook nog eens al je wensen vervult.

Frank klikt op hoofdstuk drie. Het is natuurlijk onzin, maar zou het niet geinig zijn als die spreuken echt werkten? Niet alleen in het spel maar ook daarbuiten? In de gewone wereld?

Ja vast. Straks geloof ik nog dat ik eiken kan omhakken met mijn houten beulsbijl. Maar het is toch leuk om het eens te proberen? Gewoon voor de lol?

Zodra de tekst van de bezwering verschijnt, drukt Frank op ‘print screen’. Een minuut later houdt Frank een afdruk van de bezwering in zijn hand.


Frank wrijft over zijn kin. Aarde uit een eeuwenoud graf, te middernacht gedolven, een vleermuisvleugel en tijgerklauw, drie veren van een zwarte haan, een ketting van rattenpootjes.

Je hebt nogal wat vreemde en redelijk onsmakelijke zaken nodig voor deze bezwering. Vreemde maar niet onmogelijke: er valt aan te komen.

Frank schakelt de computer uit.

5


De wekker geeft een inleidend hikje en knalt vervolgens de cd van Mighty Joe Chickenkiller Franks boxen uit. ‘Ik hak je rooie pooierkar aan mootjes!’ brult Joe in amper verstaanbaar neger-Amerikaans. ‘Voer je vingers aan de mussen!’

Frank schiet overeind en graait naar de afstandsbediening. Als zijn ouders iets op de vroege ochtend haten, is het wel een rapnummer van Mighty Joe Chickenkiller. Wanneer hij met een zucht op zijn kussen terugzakt, raken zijn schouders iets kils.

‘Wat nu weer?’ Hij vist de verkreukelde print-out van zijn matras.

Een vlaag tocht moet het vel papier van mijn bureau gewaaid hebben.

Zodra Frank het papier gladstrijkt, ontdekt hij dat een flink stuk tekst zo goed als onleesbaar geworden is. Onderaan de print-out zijn de regels weinig meer dan grijze inktvlekken.

Die stomme printer! Spontaan verblekende inkt. Spionnen zouden er vast dolblij mee zijn.

Gelukkig valt het belangrijkste onderdeel van de bezwering nog redelijk te ontcijferen. Hij pakt zijn kladschrift en schrijft de lijst met ingrediënten en magische woorden over.

Hij is net op tijd klaar: de overige letters beginnen u ook te verbleken.

Wat stond er eigenlijk onderaan de bladzijde?

Iets over... excorcisme? Ja, dat was het. De spreuk waarmee je de beschermgeest weer weg kon sturen.

Even grote kul als de rest natuurlijk. Bovendien, waarom zou je? Een geest die al je vijanden en valse vrienden keelt, elke wens vervult, is veel te handig.


‘Heb je je huiswerk...,’ vraagt zijn moeder zodra hij de keukendeur opent. ‘Sorry. Ik zei niks.’

‘Och, ik maak mijn huiswerk al maanden niet. En al mijn schriften donderde ik in de oud papier bak.’

‘Zo mag ik het horen,’ zegt zijn vader. ‘Dat gestudeer heeft toch geen enkel nut.’ Hij houdt de Rijnlandse Koerier op. ‘In mijn lijfblad las ik dat loodgieters meer verdienen dan burgemeesters.’

Franks zus snuift. ‘Alsof een loodgieter niets hoeft te leren. Meer dan een burgemeester wed ik!’

Als de gootsteen verstopt is of alle rode lampjes op de vaatwasmachine knipperen, roept iedereen: ‘Ciiiska, hij doet het niet!’

‘Ga je vandaag nog iets leuks doen?’ vraagt Franks moeder. ‘Na school?’

‘Misschien met Sergei.’

‘Bel even op als ik je eten warm moet houden.’

Franks ouders werken allebei nogal eens over en Ciska heeft een bijbaantje als klusjesvrouw in het wijkcentrum. Ze zitten ‘s avonds zelden met zijn vieren om tafel.

‘Mag ik het voorblad van de krant?’ vraagt Frank.

Het bericht staat links onder, bij plaatselijk nieuws. PAPIERLOODS OP DE PLUVIER BRANDT VOLLEDIG AF. GESCHATTE SCHADE: DRIE MILJOEN EURO.


Buiten ruikt het naar herfst. Frank zuigt de geur van rottende bladeren en paddenstoelen genietend op. De wereld lijkt hem ineens gloednieuw, vol mogelijkheden.

Zelfs Kinzo hurkt deze ochtend niet onder de plataan. Een gunstig voorteken. Gewoonlijk staat Erik als de eerste voor de ingang van de school. Niet dat hij zo ijverig is, maar hij vindt het heerlijk om Kinzo naar de enkels van brugklassers te laten happen.


Sergei zit op de verwarming naast de kapstokken in een schoolboek te bladeren.

‘Ha, Frank.’ Hij steekt de lijst met Engelse woordjes in zijn tas terug. ‘Ben je nog hoger in zijn toren gekomen?’

‘Geen stap. Ik heb iets beters. Een bezwering uit zijn toverboek.’ Frank vouwt het blaadje uit op een trede. ‘Je kunt er een geest mee oproepen. Een soort beschermengel denk ik.’

Sergei grinnikt bij ‘ketting van rattenpoten’. ‘Dat is pas smerig spul. Ga je het proberen?’

‘Als jij meedoet.’

‘Lijkt me goed vaag. Ik weet al waar we een vleermuisvleugel kunnen vinden.’


In het tweede uur is Erik nog steeds afwezig.

‘Zijn moeder belde vanochtend dat hij ziek was,’ antwoordt de Franse lerares op Franks vraag. ‘Ik wist niet dat jullie vrienden waren?’

‘Erik is geen vriend!’ sputtert Frank. ‘Van mij mag hij een maand wegblijven. De rest van het jaar!’

‘Ik hoop dat hij een longontsteking heeft,’ zegt Hamid. ‘Of twee gebroken armen.’

‘Uhoh,’ zegt Juf Christine, ‘zo te horen is Erik niet bijzonder populair.’

Erik durft niet naar school te komen, denkt Frank. Bij extreme rottigheid is hij de eerste verdachte.


In de pauze roept de rector alle leerlingen in de aula bijeen. De opzichter van de papierloods klimt achter hem aan het podium op. De man draagt nu een keurig colbertje en een stropdas ziet Frank. Niet langer het morsige overall van gisteren.

‘Eh ja.’ De rector tikt met een vingernagel op de microfoon. ‘Eigenlijk heb ik een niet bijster leuke mededeling. Misschien hebben jullie in de ochtendkrant over de brand op de Pluvier gelezen? Hij brak vlak na schooltijd uit. En omdat het Mercator Collega het dichtst in de buurt was...’ Hij knikt naar opzichter. ‘Misschien wilt U?’

De man grijpt de microfoon vast alsof het een stalen python is die hij ter plaatse wil wurgen. ‘Ik zag iemand wegrennen. Jammer genoeg te ver om zijn gezicht te eh, herkennen. Hij had een geel windjack met strepen aan. Zo’n Regley. Maar verdorie dat draagt de helft van jullie school.’ Hij spreidt zijn handen. ‘Dus als een leerling iets gezien... Iemand die ze kennen daar zag rondsluipen. Er was al eerder geprobeerd brand te stichten. Knullig, gewoon het papier aangestoken bij het uiteinde. Als het zo stijf op de rol zit, dooft het vanzelf. Alleen, deze keer startte hij zijn vuur met benzine.’

Dit is mijn laatste kans, denkt Frank. Als ik het nu vertel, zo voor de hele aula, dan durft Erik me niets terug te doen. Met een beetje geluk moet hij naar de gevangenis. In ieder geval trappen ze hem van school.

Het is jouw woord tegen het zijne. En Erik kan beter lullen dan jij. Veel beter.

Het is alsof de woorden in Franks hoofd geduwd worden. Iedereen kent het kleine stemmetje in je hoofd dat je gedachten uitspreek. Dit klinkt anders. De smaak is verkeerd, de klank.

‘Wat heb jij ineens?’ vraagt Lianne naast hem. ‘Je trekt een gezicht alsof je een hap waspoeder nam.’

‘Last van mijn maag,’ mompelt Frank.

Hij ziet Kinzo’s tanden plotseling voor zich. Zo echt dat hij zijn adem kan ruiken. Rottende hondenbrokken, flinters kleuterkuit.

Niemand zal je geloven. Ze zullen denken dat je maar wat verzint. Uit wraak. Iedereen weet dat jij Eriks favoriete slachtoffer bent. Mensen hebben misschien een bloedhekel aan een pestkop, een slachtoffer verachten ze. Niemand wil iets met een Frankiepankie Onderbroek te maken hebben.

‘Maar ik wil geen slachtoffer meer zijn, ‘ fluistert Frank. ‘Ik wil terugslaan!’

‘Zei je wat?’ vraagt Lianne.

Ik ben knettergek aan het worden. Totaal mesjokke. Tegen jezelf praten, zo begint het ook altijd in een tv-serie. Twee afleveringen verder loop je met een kettingzaag rond te zwaaien.

Kettingzagen zijn prima, zegt dat stemmetje. Alleen werkt wraak nemen in je eentje niet al te best. Tegen iemand die zoveel sterker en gemener is, heb je een bondgenoot nodig.

Het stemmetje valt weg, als de zoemtoon van een radio waarvan de stekker abrupt uitgetrokken wordt.

Frank knippert, kijkt terug naar het podium. De rector is opnieuw aan het woord.

‘Ik begrijp dat iemand liever niet voor een zaal vol leerlingen praat. Als je iets weet, kun je na school bij me langskomen. Opbellen kan ook. Ik zal mijn 06-nummer op het bord in de hal schrijven.’ Het blijft even stil. ‘Dat was het dan,’ zegt de rector. ‘Bel me als je iets gezien hebt.”

6


‘Beetje naïef van de rector,’ zegt Lianne. ‘Dat werkt toch van geen kanten? Ik bedoel, als je weet wie die loods in de fik stak, ga je dat heus niet aan de rector vertellen.’

‘Waarom niet?’ vraagt Frank, hoewel hij zo een dozijn allemachtig goede redenen kan bedenken.

‘Nou, stel je voor: je kunt het bewijzen en de politie arresteert de dader. In het beste geval moet die klojo een maandje blaadjes prikken in het stadspark en daarna is het voorbij.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Maar niet voor jou. Hij wacht je na school met een stel vrienden op en breekt al je botten.’

Erik heeft geen vrienden, denkt Frank. Verder klopt het akelig goed. Bovendien heeft Erik geen vrienden nodig om wraak te nemen. Zijn eigen vuisten en Kinzo zijn voldoende.


Het laatste uur.

‘Doen we het nog?’ vraagt Sergei als ze het biologielokaal binnendrommen.

‘Doen we wát nog?’

‘De bezwering uit het spel. Voor een vleermuisvleugel zitten we hier in het juiste lokaal.’

‘Als Van Dummen...’ Geen gezeur, geen Frankiepankie gepiep! Alles is beter dan over Erik en zijn dreigementen door te blijven malen. ‘Bewaart Van Dummen hier dan vleermuisvleugels?’

‘Jij was die dag naar de tandarts geloof ik. Hij liet ons een gedroogde vleermuis zien. Dat beest had zijn vleugels zo piepklein opgevouwen dat hij in een lucifersdoosje paste.’ Sergei knikt. ‘Ik weet waar Van Dummen hem opborg. Derde la links, onder de vitrine met opgezette dieren.’

Van Dummen beent naar het bord. ‘Iedereen heeft uiteraard zijn huiswerk geleerd. Toch wil ik dat even controleren.’ Zijn vinger priemt de klas in. ‘Amida. Geef jij het antwoord op vraag twee eens? De eerste vraag is veel te makkelijk voor zulke slimme leerlingen als jullie. De bruine kikker komt oorspronkelijk uit...?’

‘Wanneer proberen we het?’ fluistert Frank.

‘Na de les. Hij doet de deur nooit op slot. Later komt hij toch terug om proefwerken na te kijken.’

‘Sergei, Frank! Een beetje bij de les blijven graag, ja?’ Hij trekt zijn das recht. ‘Jullie mogen trouwens de antwoorden voor vraag vier en zes op het bord schrijven.’


Juist deze middag blijft Van Dummen hinderlijk in het lokaal rondlummelen. Hij zet de delen van de dierenencyclopedie voor het eerst sinds maanden op alfabet, vult de plantengieter.

Frank gluurt door een kier van de wc-deur.

‘Wat is hij toch vreselijk,’ klaagt hij tegen Sergei. ‘Moet je zien: die pietlut geeft zijn cactussen druppel voor druppel water.’

‘Wees blij dat hij de hamsterkooien niet verschoont.’

Van Dummen zet de gieter neer en tilt neuriënd een zak zaagsel uit de keukenkastjes.


Frank en Sergei schieten het lokaal in zodra Van Dummen om de hoek van de gang verdwijnt.

Sergei trekt de bureaula open. ‘Ja, dit is hem.’ Hij schudt de vleermuis uit het lucifersdoosje. Voorzichtig trekt hij een vleugel uit. ‘Heb je iets scherps? Een mesje, een schaar?’


‘Wat voeren jullie toch uit?’

Frank knipt in zijn duim van schrik. De vleugel dwarrelt naar de vloer.

‘Getver Lianne, wat sluip jij nu weer rond?’

‘Ik zocht jullie. We zouden na school gaan zwemmen.’

‘Vergeten. Ah stom, mijn zwembroek ligt ook nog thuis.’

Ze kijkt het lokaal rond. ‘Willen jullie een geintje met van Dummens spullen uithalen? Hij voert jullie aan zijn koi-karpers. In hele kleine stukjes.’


Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-27 show above.)