Excerpt for Kinderen Van De Rekening by Gerben Graddesz Hellinga, available in its entirety at Smashwords

Gerben Graddesz Hellinga



Kinderen van de rekening

Verschijnsel.net

Kinderen van de Rekening Copyright 2012 Gerben Graddesz Hellinga
Omslagillustratie copyright 2012 Bauke Muntz
ISBN: 978-1-4661-5445-2

Dit boek verschijnt onder het Verschijnsel-imprint. Verschijnsel is een imprint voor oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur van meerdere uitgeverijen in digitale vorm. Deze e-boeken zijn bijeengebracht op Verschijnsel.net

Verantwoordelijke uitgever van dit eboek:
Verschijnsel vzw, F. De Merodestraat 7, 2800 Mechelen, België.

Uitgeverij Verschijnsel heeft zijn eigen fonds van oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur, uitgebracht in gebonden edities en/of in paperback. Uitgebreide informatie over al deze titels, inclusief romanfragmenten en complete korte verhalen, is te vinden op www.verschijnsel.net

Driehoeksconflicten”, een paperback-uitgave van de complete trilogie over Ptuui’s, Mensen en Zassonen, is nog te bestellen via www.verschijnsel.net.

No part of this book may be reproduced in any form, by print, photo-print, microfilm or any other means without written permission from the publisher / Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

***

Smashwords Edition, License Notes
This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.

HET TWEEDE BOEK OVER

PTUUI’S, MENSEN EN ZASSONEN

Lees ook het eerste boek over ptuui’s, mensen en zassonen: Grensconflicten.

En het derde en laatste boek over ptuui’s, mensen en zassonen: Tweede talent.

Driehoeksconflicten”, een paperback-uitgave van de complete trilogie over Ptuui’s, Mensen en Zassonen, is nog te bestellen via www.verschijnsel.net.

INHOUD



Peter en de ptuui

Schuld en boete

Een binnenzee voor Pfùùièt

De geur van fûûtabloemen

De grote catastrofe

Chronologie

Over de Auteur

Over Verschijnsel

2133 AD

PETER EN DE PTUUI

1

Het was niet moeilijk geweest om een gesprek met kapitein Vandulomanolia te regelen. Dat was merkwaardig, want op de ruimtehaven had men verteld dat de man erom bekend stond dat hij vrijwel alles uitbesteedde aan zijn ondergeschikten. Peter Martinez had gerekend op een dagenlange tocht door de hiërarchie van Palbunts Verdriet. Een nieuwkomer die een vergunning wilde hebben om zich te vestigen als privédetective was niet bepaald het soort zaken waarmee het hoofd van politie zich bezig hield.

Peter legde zijn identiteitspapieren voor de kapitein op het bureau en zakte in de aangewezen zitkuip. De kapitein keek enige tijd zwijgend voor zich uit, Peter bestudeerde op zijn beurt de kapitein. Vandulomanolia, zeven lettergrepen. Alleen mensen die rechtstreeks afstamden van het kleine aantal overlevenden van de eerste emigratiegolf, toen deze wereld nog de gevaarlijkste was van alle menselijke koloniewerelen, mochten zoveel lettergrepen in hun naam voeren. Een eretitel. Maar ook tijdens de jeugd van deze man was er nog van alles niet in orde geweest met deze planeet (er was trouwens nog steeds van alles mee mis). De rechterkant van zijn gezicht, zijn volledige linkeronderarm en de zijkant van zijn rechterhand staken bleekwit af tegen zijn normale donkerbruine huidskleur. Alsof hij ooit op grote schaal derdegraads brandwonden had opgelopen. De man leefde dus al toen er nog geen inenting ontwikkeld was tegen Dunne Huid, een van de vele ziekten die het leven op deze wereld altijd erg onaangenaam, en doorgaans nogal kort gemaakt hadden. Hij moest al minstens 55 jaar zijn, al zag hij eruit als veertig.

De politiechef had een dik dossier voor zich liggen dat hem meer leek te interesseren dan Peters papieren, ‘Net aangekomen met de Vliegende Eend, hè? Daar zat dat rare wezen ook in. Die eh... ptuui, is dat het woord? Ik hoor beweren dat die wezens tegenwoordig overal te zien zijn, maar hier op Palbunts Verdriet hebben we er nog geen gehad. Wat kun je me over dat beest vertellen?’

Peter aarzelde even. Hij had er weinig zin in om gratis allerlei informatie te gaan geven aan de politie als dat misschien ook geld kon opleveren, maar aan de andere kant: als hij nu om geld vroeg, kreeg de kapitein misschien de pest in en kon hij naar zijn vergunning fluiten. Dan maar zo open mogelijk zijn.

‘Ik heb begrepen dat één ptuui naar elke wereld van de mensen zal gaan om te zien of er handel valt te drijven. Puuittia is op Grote Schijf aan boord gekomen met twee mensen als assistent. Jack Vermond en Manuel Fabricio. De ptuui heb ik gedurende de hele reis niet gezien. Fabricio vertelde me dat het schip zo veel metaal bevat, dat de ptuui er doodziek van was en daarom zijn hut niet uitkwam. Ptuui’s hebben alleen werelden waar geen metaal in de grond zit. Alles wat ze gebruiken, tot zelfs hun eigen sterrenvaarders toe, is van plantaardige of dierlijke oorsprong. Het gaat zo ver, dat ze een metaalfobie schijnen te hebben ontwikkeld. Ze lijken de aanwezigheid van veel metaal te voelen en dat jaagt hun stofwisseling zo op dat ze er doodzenuwachtig van worden. In elk geval, Fabricio zei dat de ptuui zijn handelsmissie wil inrichten in een gebouw dat louter van steen gemaakt is en met misschien wat plastic, maar dat er geen metaal in verwerkt mag worden.’

‘Handelsmissie? Daar is nog geen vergunning voor aangevraagd.’

Peter spreidde zijn handen. ‘U zult in de officiële stukken die met de Vliegende Eend zijn meegekomen wel lezen dat onze buitenaardse vrienden nooit ergens vergunning voor aanvragen. Als ze iets willen doen, dan doen ze het. En als iemand hen dat wil verhinderen krijgt hij problemen met de Veiligheidsraad van de VNAHK. Want zo iemand riskeert niet alleen maar een diplomatieke rel, hij kan de anderlingen net dat kleine beetje geërgerd hebben dat nog nodig was om hen te doen besluiten dat het nou maar eens afgelopen moet zijn met de mensen. Daar schijnt echt niet veel voor nodig te zijn.’

Vandulomanolia knorde en tikte met een dikke wijsvinger op het dossier dat voor hem lag, Verenigde Naties van Aarde en Haar Koloniën stond erop. ‘De officiële stukken lees ik later wel. Ik wil eerst zoveel mogelijk uit de eerste hand horen. Wat is dat beest van plan te doen op Palbunts Verdriet?’

‘Volgens Fabricio komt hij hier vooral om een grote voorraad van twee dingen aan te leggen. Boormollen en staakwier.’

De kapitein trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ongedierte en onkruid? Van mij mogen ze het allemaal hebben. Maar wat moeten ze ermee?’

‘Het schijnt dat boormollen op elke breedtegraad van deze wereld leven, praktisch zonder soortverschil. Dat betekent dat die beesten zich kunnen aanpassen aan de meest verschillende omstandigheden. Ptuui’s zijn altijd zeer in zulke dieren geïnteresseerd. In zulke planten trouwens ook, daarom willen ze ook zo’n grote hoeveelheid staakwier hebben. Dan gaan ze met dat basismateriaal proeven doen en ontwikkelen ze er weer iets nieuws uit. De ptuui’s zijn erg knappe biotechnologen. Nou ja,’ hij wees op het dossier, ‘U zult het daar allemaal wel in lezen, verder.’

Peter had daarmee net alles verteld wat hij van de ptuui’s wist, maar hoopte dat hij de indruk had gewekt een onuitputtelijke bron van informatie te zijn, voor als dat ooit nodig was.

‘En dat moeten wij die wezens dan maar allemaal geven? Is dat wat zij ‘handel’ noemen?’

‘Nee. Ze zijn best bereid er iets voor terug te doen. Volgens Fabricio en Vermond zal het hen niet veel moeite kosten om iets te vinden ter voorkoming of behandeling van allerlei ziekten. Jullie hebben nog steeds niets gevonden tegen Groene Koorts, of tegen Teenknabbel, of Miltzwel. Voor ptuui’s is het ontwikkelen van een bestrijdingsmiddel tegen zulke ziekten een fluitje van een cent.’ Hij grinnikte. ‘Letterlijk een fluitje, want zo praten ze.’

De kapitein was niet geamuseerd. Hij keek Peter fronsend aan. ‘Jij hebt deze wereld goed bestudeerd voordat je hier kwam, is het niet?’

‘Uiteraard, kapitein. Ik zou mij hier graag willen vestigen. Het is mijn gewoonte om me voor te bereiden als ik aan iets begin.’

Het kon geen kwaad alvast iets aan te geven over zijn manier van werken. Als de kapitein iets in hem zag was de kans op een vergunning groter. Hij had zijn kennis over de onbehandelbare ziekten van Palbunts Verdriet aan boord overigens opgedaan tijdens de gesprekken met Vermond en Fabricio (die hadden echt hun huiswerk goed gedaan), maar dat hoefde de kapitein niet te weten. ‘Eh, kapitein? Als u mij verder niet nodig heeft voor informatie over de ptuui, mag ik dan uw aandacht vragen voor mijn eigen reden van dit bezoek?’

‘Tja... Die vergunning. Ik ben bang van niet. Ik voel er niks voor iemand hier op zijn eigen houtje detectiefje te laten spelen. Als dat het enige is waarvoor je hier gekomen bent, kan je je vanavond weer inschepen op de Vliegende Eend. Als je met alle geweld hier wilt blijven zal je hier een normale baan moeten zien te vinden. Als het je lukt ergens werk te vinden voordat het volgende schip hier aankomt, kan ik je wel een verblijfsvergunning geven. Maar een vergunning voor privé-speurneuzerij is uitgesloten.’

Een gewoon baantje had Peter nooit aangetrokken. Hij zocht de vrijheid van het eigen baas zijn en had juist Palbunts Verdriet uitgezocht omdat daar, voorzover hij wist, nog helemaal geen privé-detectives waren. Nu zag het ernaar uit dat de kapitein ervoor zou zorgen dat die er ook nooit zouden komen. ‘Kapitein, er zijn zoveel dingen waar de politie zich niet mee bemoeit! Weggelopen huisdieren, een man die zijn vrouw niet vertrouwt, anonieme dreigementen.’ Het waren natuurlijk ook niet de dingen waar Peter zich zelf mee wilde bemoeien, maar hij zou ergens moeten beginnen. Echt interessante zaken zouden later vanzelf wel komen. Hij had niet voor niets zijn leven lang boeken en verhalen gelezen over privédetectives. Sherlock Holmes, Darla Vinlong, Hercule Poirot, Nero Wolfe, Ellery Queen, Manny Paron... Ach, hij wist zelf ook wel dat hij een romanticus was, maar waarom zou het niet echt kunnen?

De kapitein liet zich echter niet vermurwen. ‘Er moet ergens een grens getrokken worden. Opsporingswerk is werk voor de politie als het belangrijk is, en anders is het niet de moeite waard dat iemand er zich überhaupt mee bemoeit. Jaloerse mannen zou je trouwens toch niet als klant krijgen hier. De zeden zijn er niet naar, op Palbunts Verdriet; ik dacht dat jij je huiswerk altijd zo goed deed?’

Peter begon te zweten. Hij moest het nu niet nog erger maken door onhandige argumenten. Hij stond op. ‘Goed, kapitein. Ik zal een gewone baan gaan zoeken. Misschien zien we elkaar dan voor een verblijfsvergunning terug over vier weken.’

Om een vergunning voor het dragen van een laserwapen hoefde hij niet te vragen. Op Palbunts Verdriet was het dragen van een wapen net zo vanzelfsprekend als het in je duimnagel verwerken van een horloge.


2

Drie dagen later stond Peter zich grondig te vervelen bij zijn kraam aan de straatkant. Zijn koopwaar: ‘bommetjes’. Bolletjes was, met een kern van vidorzaden. Als de was in de darmen van de gebruiker oploste kwamen de zaden vrij en dat gaf dan een kortstondige flash. Vidorzaden waren net niet zo verslavend dat het verboden was. Tsikudapitjes en roeswied waren heel wat lastiger om te laten staan als je de smaak er eenmaal van te pakken had gekregen, maar ook daar deed de politie niet echt moeilijk over. Palbunts Verdriet mocht dan al bijna zestig jaar geleden gekoloniseerd zijn, het was toch nog in veel opzichten een frontwereld. Primitief, weinig frequente verbindingen met de moederwereld of met andere koloniewerelden, en bewoners die eigenlijk niet zo erg geïnteresseerd waren in wat er zich buiten hun wereld afspeelde: de meeste mensen hadden hun handen vol met de strijd om het bestaan want Palbunts Verdriet had niet alleen haar ontdekker ongelukkig gemaakt.

De handel in pseudogeluk liep niet slecht, maar ook bepaald niet goed. De huur van zijn kraam en de verkoopvergunning kostten hem viervijfde van wat hij gemiddeld op een dag aan inkomsten kon verwachten, maar het was een baan. Hij moest hiermee toch zijn verblijfsvergunning kunnen krijgen. En: het gaf hem een excuus om op elke plek in de stad op straat rond te hangen, voor als er zich toch een gelegenheid zou voordoen om te bewijzen dat de politie misschien wél een privédetective kon gebruiken.

Het sprak echter vanzelf dat hij er niet zou komen met alleen maar een fraai excuus om ergens rond te hangen. Wat hij nodig zou hebben was een netwerk. Vrienden op plaatsen waar men iets voor hem kon uitzoeken; kennissen in de onderwereld, bij wie hij clandestiene informatie zou kunnen kopen. Zulke mensen vind je in verschillende soorten kroegen. Peter maakte er een punt van om in beide soorten tot de regelmatige bezoekers te behoren.

Zo kwam hij regelmatig in contact met de prospectors die de monsters staakwier kwamen afleveren en de jagers die de kooien met de reusachtige boormollen aanvoerden. Ze werden goed betaald voor wat ze brachten, op kosten van de overheid die erop rekende dat de ptuui ervoor zou zorgen dat zijn soortgenoten hen zouden helpen af te rekenen met een aantal van de meest kwaadaardige ziekten van deze wereld. Een zaak van vertrouwen, maar zo scheen je zaken te moeten doen met ptuui’s. De eerste stop van de avonturiers na een bezoek aan de handelspost was gewoonlijk één van de vele bars in de hoofdstad, om op adem te komen na hun meestal levensgevaarlijke expedities in het binnenland.

De eerste avond had Peter al in een bar een interessant gesprek met twee boormoljagers. Die kwamen regelmatig in de ptuui-handelsmissie en Peter wilde zoveel mogelijk te weten komen over de merkwaardige anderling.

‘Nou, veel zal ik je niet kunnen vertellen,’ zei de grootste van de twee. ‘Je komt met een mol binnen en die neem je mee naar de kelder. Daar zit dat wezen in z’n badje. Hij kijkt een tijdje naar de mol, fluit dat het goed is en dan brengt een van zijn assistenten het beest naar een grote kamer waar zo langzamerhand al dertig boormollen staan opgesteld. Dan worden we betaald en kunnen we weer gaan.’

‘Bedoel je dat jullie helemaal vanuit de bush naar de stad komen voor het afleveren van één boormol?’

De ander grinnikte. ‘Wat dacht jij? Dat we er meteen maar eventjes tien vangen en hier naar toe brengen?’

‘Waarom niet?’

‘Ooit een boormol gezien, vriend?’

‘Nee.’

‘Een boormol is drie meter lang en tachtig centimeter dik. Ze wegen anderhalve ton. Ze hebben vlijmscherpe klauwen, een soort snavel waar wij onze neus hebben, en ze zijn zo sterk als blunderbeesten. Het is niet zo moeilijk om ze dood te maken. Een laserpistool dringt prima door hun pantserplaten heen. Maar om ze levend te vangen moet je minstens met z’n tweeën zijn, en dan kan je maar beter behoorlijk wat ervaring hebben met het jagen op minder gevaarlijke dieren. Ratelwespen bijvoorbeeld. Of gifwolven of, als je het leuk vindt om te zwemmen, wurg-alen. Gemiddeld overleeft een jager het vangen van meer dan twintig van die beesten niet. Maar het betaalt natuurlijk navenant als er iemand zo gek is om ze te verzamelen, zoals die kegel. Als we er een hebben gevangen kunnen we een half jaar rentenieren. We gaan morgen al weer terug, al zou ik best een maand vakantie kunnen gebruiken. Wij hebben er nu zeven afgeleverd. We willen stoppen als we er tien hebben. Met de verdienste van tien mollen kan Japie zich op Mazzeltov gaan vestigen en ik heb eindelijk genoeg om een restaurantje te beginnen op Grote Schijf.’

Peter had er speciaal een punt van gemaakt meer te weten te komen over de activiteiten van de ptuui, omdat het in de hoofdstad gonsde van de speculaties over het merkwaardige wezen. En... over de redenen die het kon hebben voor zijn keuze voor de plaats waar het zijn handelsmissie vestigde: midden in de stad, aan de hoofdstraat. Daar zweefden regelmatig hoverwagens langs, metalen voorwerpen die de ptuui nogal zenuwachtig zouden moeten maken. En het gebouw lag naast het hoofdvestiging van de Nationale Bank, waar in de kelders grote hoeveelheden muntgeld lagen opgeslagen, en de halve goudvoorraad van Palbunts Verdriet. Ook bepaald een hoeveelheid metaal waarvan een ptuui ontregeld zou kunnen raken.

Puuittia had er echter op gewezen dat het door hem uitgekozen gebouw veruit het grootste was van alle gebouwen in de stad, en dat hij die ruimte hard nodig zou hebben voor zijn magazijnen. Er was in het gebouw niet veel metaal verwerkt, en het meeste daarvan kon wel verwijderd worden. En hij liet weten dat de uitstraling van het metaal in de buurt kon worden tegengegaan door dikke lagen aarde. Hij liet onder het door hem gekozen gebouw een grote kelder uitgraven en richtte een deel daarvan in als onderkomen. De bouwvakkers die eraan werkten verdienden weken lang gratis drankjes in hun stamkroeg, en hadden een centrale plaats op feestjes, met hun verhalen over het interieur dat de ptuui had laten aanleggen. Het wezen gebruikte de bovenste twee verdiepingen niet zelf; met zijn loopvliezen was hij niet in staat om een trap te beklimmen. De toegang tot de kelder was veranderd in een lange aflopende gang. De begane grond en de twee verdiepingen werden ingericht als opslagplaats voor de lange bundels staakwier, die in bakken met water van precies het goede zoutgehalte natgehouden moesten worden, en voor de enorme kooien waarin de boormollen moesten worden vastgehouden.

Alle vloeren in de kelder waren van een dik sponsachtig materiaal gemaakt, soppend van het water. Er waren overal inzinkingen, gevuld met lauw water en met aan de wanden bakken met planten die tot aan het plafond reikten. Iedereen zou natuurlijk proberen zijn huis zoveel mogelijk in te richten naar zijn eigen smaak. Maar waarom nou net op die plek? Ook al was het een enorm gebouw en ook al kon de ptuui het daar redden zonder last te hebben van metaal, het was toch handiger geweest als het zich gevestigd had in de buurt van de ruimtehaven, waar over zes maanden een ptuuischip zou arriveren om de verzamelde boormollen en het staakwier op te halen? Het wezen had hooghartig geweigerd de redenen te geven voor zijn beslissing, en zijn menselijke assistenten konden er ook niets meer over vertellen.

‘Je vraagt niet aan een ptuui waarom hij iets wil,’ legden ze uit. ‘Je doet gewoon wat ze je opdragen en als het je niet bevalt, dan zoek je maar ander werk. Nou, het mag een etter van een beest zijn, het betaalt wel goed, dus wij houden het dat halve jaartje wel vol.’

‘Maar die bank ernaast?’ werd uiteraard gevraagd. Het was toch zacht gezegd verdacht, die rare voorliefde van iemand met een metaalfobie, voor een gebouw dat uitgerekend naast een bank stond?

Manuel Fabricio had de vrager ronduit uitgelachen. ‘Dat zou een hele mooie zijn! Een ptuui die een bank berooft! Ik zie dat wezen al, met stapels goudstaafjes in zijn tentakels! Man, dat beest zou regelrecht naar een dierenarts moeten, het stort zich vierkant in de zenuwen!’

Jack Vermonds reactie was serieuzer geweest, ‘Luister. Alles wat we van de ptuui’s weten, en toegegeven het is niet zo veel maar toch: die beesten zijn absoluut niet in staat zich zelfs maar het idee van een misdaad voor te stellen. Van liegen hadden ze nog nooit gehoord totdat de eerste mensen met wie ze te maken kregen hen lieten zien hoe dat gaat. En nou weten ze het wel, maar ze kunnen het nog steeds niet. Ze zijn zowat de meest naïeve wezens die er zijn. Als een ptuui zegt dat hij hier iets komt doen, dan is dat ook zo. Dan is hij niet stiekem iets anders van plan. Het kan natuurlijk zijn dat jullie ons verdenken. Nou ja, ga rustig je gang. Wij zijn niks van plan, maar houd ons toch maar in de gaten als je dat zo nodig moet.’

En inderdaad werden de beide assistenten van de ptuui vierentwintig uur van de dag geschaduwd. Ze deden geen moeite hun bewakers van zich af te schudden en er was werkelijk niets dat ook maar enigszins verdacht was, maar de politie had er natuurlijk wel zijn handen vol aan. Kapitein Vandulomanolia was niet iemand die risico’s nam.


3

Peter dacht net als iedereen dat er iets merkwaardigs aan de hand was. Hij hoopte er zelfs op. Daarom stond hij met zijn handelswaar veel vaker in de buurt van het gebouw met de ptuui-handelsmissie dan ergens anders. Niet dat hij verwachtte op die manier een glimp te kunnen opvangen van de ptuui, want die kwam vrijwel nooit zijn handelspost uit. Hij was erin getrokken zodra het gebouw voor hem in gereedheid was gebracht en leidde een kluizenaarsleven. Jammer, vond Peter. Hij had zoveel verhalen over de ptuui’s gehoord dat hij het wezen toch graag een keer gezien zou hebben.

De meeste van de mensen die hij ondervroeg bleken de ptuui ook nog niet zelf ontmoet te hebben. Jack Vermond en Manuel Fabricio handelden bijna alle zakelijke transacties af, want al irriteerden ptuui’s zich minder aan mensen dan zassonen, ze hadden toch liefst zo min mogelijk met hen te maken. En de jagers en handelaars lieten de wapens die zij altijd bij zich droegen liever niet even bij een ander achter, en die waren van metaal.

Het was zelfs even zover gekomen dat men zich ging afvragen of er wel een ptuui was! Maar iedereen die er echt op stond kon hem bezoeken. Dat had kapitein Vandulomanolia natuurlijk ook gedaan, zodra de ptuui in de stad zijn intrek genomen had. Iedereen die hem ontmoette was het erover eens: men kon zich een onaangenamer anderling voorstellen dan een ptuui. Een anderhalve meter hoge kegel, met op elke windstreek een lange tentakel en een twintigtal kleine tentakeltjes boven één groot oog bovenin, boezemde noch angst, noch afkeer in. Zeker toen bleek dat alle rapporten over de eerste contacten met deze wezens, die met de Vliegende Eend van Aarde waren meegekomen bevestigden dat ptuui’s nooit boos werden.

Het was ook niet moeilijk om met hem te praten: ptuui’s schenen heel snel een taal te kunnen leren en dit wezen sprak vloeiend Engels. Als je eenmaal gewend was aan de merkwaardige fluitende bijklanken en de veel te lang aangehouden medeklinkers ‘f’, ‘p’ en ‘t’ was wat hij zei best goed herkenbaar.

Maar je moest wel echt iets zakelijks met hem te doen hebben, anders kwam je er niet in. Afhankelijk van het succes of het resultaat van de zakelijke transactie was het wezen dan bereid een tijdje met je te praten over wat je maar wilde. ‘Nababbelen’ noemde een ptuui dat. Je viel gewoon met de deur in huis en kletste pas achteraf over koetjes en kalfjes. Dat was allemaal bekend uit de verslagen van de eerste mensen die met ptuui’s te maken hadden gehad, en als je er eenmaal aan gewend was lag het eigenlijk ook voor de hand. Zo liep je niet de kans dat je een boel tijd verkletste met iemand waarmee je later niet tot een vergelijk bleek te kunnen komen.


Intussen had Peter zich een zekere vaste cliëntèle verworven. Hij vond dat het nu wel tijd was om maar eens naar de politie te stappen, want dit bewees voldoende dat hij zich economisch staande kon houden.

Vandulomanolia was echter bepaald niet onder de indruk. Hij keek zuinig naar het document dat Peter hem aanreikte.

‘Een huurcontract voor een vidorkraam. Voor een jaar. Dat houdt niet over, meneer Martinez. Ik zou zelfs zeggen: dat is nauwelijks voldoende.’

Peter zweette. ‘Het is een baan, kapitein. Ik doe het nu twee en een halve week en u ziet: ik verdien er mijn brood mee. Het is geen vetpot, maar ik kan mezelf bedruipen.’

De politiechef knikte peinzend. En schudde daarna zijn hoofd, ‘Man, man, waar je zin in hebt. Ik weet dat je twee kansen hebt laten lopen waarmee je meer zou verdienen en je minder zou vervelen. Magazijnbediende bij Prospectors Startpunt lijkt mij boeiender dan dat venten op straat. Kok bij MacDonald’s trouwens ook.’

Hij bestudeerde Peter argwanend. ‘Maar dit werk houdt je wel op de straat, hè? Jij hebt die idiote ideeën van privé-detectieverij nog lang niet opgegeven.’

Peter besloot het eerlijk te spelen. ‘Klopt, kapitein. Maar ik zal niet stiekem van alles gaan ondernemen, dat beloof ik u. Ik zou op dit moment trouwens niet eens weten wat ik zou kunnen ondernemen.’

Vandulomanolia zuchtte. ‘Je kunt hier een jaar blijven, als je dat dan zo nodig wilt. En dan bekijken we de zaak opnieuw. Maar ik houd je in de gaten, meneer Martinez: geen clandestien gedoe!’


4

Hotel Manuel Fondriguez was niet bepaald het beste in de stad, maar wel het goedkoopste. Peter zat op een krap budget en hij spendeerde alles wat hij kon overhouden aan gratis borrels voor zijn netwerk. Meer dan dit hotel kon hij zich voorlopig niet permitteren. Als hij zijn deur goed afsloot als hij op zijn kamer was, zijn inkomsten van elke dag ’s avonds afleverde bij de bankkluis voordat hij naar zijn hotel ging en nooit iets van waarde in zijn kamer achterliet, liep hij niet veel kans op een beroving.


Toch was dat het eerste waar hij aan dacht toen hij die nacht wakker schrok. Eenmaal echt wakker, realiseerde hij zich echter dat hij was gewekt door een explosie in een ander gedeelte van de stad. En van het gerinkel van zijn venster, dat in scherven en splinters door zijn kamer was geblazen. Vlak naast zijn linkeroor had een scherp stuk glas zich diep in zijn kussen gedrongen en alleen het feit dat de nachten koud waren en hij twee dikke dekens over zich heengetrokken had, had hem voor meervoudige snijwonden behoed. Dat, en een flinke dosis geluk!

Hij aarzelde even, de vloer lag vol met scherven en hij had geen sloffen onder zijn bed staan. Toen nam hij zijn kussen en zwiepte daarmee zo goed en zo kwaad als het ging een pad vrij naar de zitkuip waarop zijn kleren lagen. Hij pakte het laserpistool dat onder zijn hoofdkussen had gelegen voor ongewenst bezoek, stak het in zijn zak en ging naar buiten.

Op straat was het eenvoudig uit te maken waar de explosie had plaatsgevonden. Iedereen die op straat was, ging dezelfde kant uit. De bank! Er moest iets met de bank gebeurd zijn!

Hij drong zich zachtjes door de mensen heen. Hier met een vriendelijk, maar lichtelijk autoritair klinkend: ‘Pardon! Even passeren!’, daar met zachte drang van een elleboog, weer ergens anders door gebruik te maken van een tijdelijk wat minder dichte opeenhoping. Na enkele minuten stond hij vooraan, tegenover een agent die hij kende uit de kroeg in de buurt van het hoofdbureau van politie.

‘Sonny! Man, wat is er gebeurd?’

Sonny keek om zich heen, er kennelijk niet zeker van of hij wel iets mocht vertellen.

‘Kom, joh! Straks wordt het toch allemaal op de holovisie verteld. Wat kan het nou voor kwaad als ik het een beetje eerder hoor?’

Toen hij er bovendien nog aan toevoegde dat het Sonny de volgende avond een borrel zou opleveren, bracht de agent tenslotte toch rapport uit.

Om 03.40 had er een enorme explosie plaatsgevonden in de kelder van de Nationale Bank. Toen de rook was opgetrokken en het puin niet langer omlaag regende zagen de wakker geschrokken en toegesnelde bewoners van de hoofdstad een gigantische krater, waarboven de resten van het bankgebouw en de twee belendende gebouwen onzeker overeind stonden, alsof ze nog niet definitief besloten hadden om ook maar omlaag te vallen.

Vandulomanolia was razend, vertelde Sonny. Vooral toen een onderzoek van de krater aantoonde dat van de grote kluis die in de kelder van het bankgebouw gestaan had niet veel meer over was dan wat halve meter dikke staalplaten, kromgetrokken als tulpenbladen rondom een gapend gat. Al het goud dat erin had gezeten was verdwenen, op een stuk of twintig halfgesmolten staven na. Tot overmaat van ramp werden tussen de puinhopen ook nog de aan stukken gereten resten van een van de bewakers van de bank gevonden, terwijl even later een politieman naar de kapitein riep en wenkte: tien meter buiten het rampgebied lag het lichaam van de andere bewaker, met doorgesneden keel. De kapitein had niet alleen een bankroof op te lossen, maar nog twee moorden bovendien.

Peter had Vandulomanolia 25 meter verderop zien staan en schoof nu langs de voorkant van de menigte zijn richting op. Als er verder nog iets van belang gebeurde, zou hij dat het beste daar kunnen volgen. Hoe zat het trouwens met de ptuui? Zou die ook omgekomen zijn, net als die bewakers? Dan konden ze straks nog te maken krijgen met een interstellaire oorlog!

Toen zag hij het wezen uit de resten van zijn handelsmissie schuifelen. Puuittia had zich tijdens de explosie in de verste helft van zijn eigen gebouw bevonden. Bovendien was zijn gestroomlijnde lichaam beter bestand tegen de schokgolf van een explosie. Het wezen was wel gewond geraakt: het hield zijn voortentakel strak tegen zijn lichaam gevouwen, zijn achtertentakel leek wat slap omlaag te hangen en hij waggelde zo onhandig uit het puin dat het duidelijk was dat ook zijn loopvliezen onder het geweld geleden hadden. Op zijn merkwaardige fluitende manier vroeg het wat er in Ptû’s-naam was gebeurd. Het was de eerste keer dat Peter het merkwaardige accent van de anderling te horen kreeg, maar inderdaad, als je de bijklanken eruit haalde viel het heel goed te begrijpen.

Vandulomanolia keek ongewoon onzeker. Peter vermoedde dat hij niet goed wist hoe hij op de vraag van de ptuui moest reageren. Hij kon natuurlijk net zo min als Peter het vermoeden van zich afzetten dat de ptuui iets met de bankroof te maken had, wat men ook beweerde van de eerlijkheid en de geweldloosheid van die wezens. Aan de andere kant liep de kapitein groot risico als hij de anderling al te argwanend benaderde. In alle rapporten stond dat ptuui’s met de grootste omzichtigheid behandeld dienden te worden.

‘Een bankoverval,’ zei Vandulomanolia tenslotte op neutrale toon. ‘En twee moorden. Ik vind het vervelend voor u, maar ik zal straks van alles aan u moeten vragen. In een situatie als deze moet ik iedereen, zelfs de meest onwaarschijnlijke, als verdachte behandelen. Ik hoop dat u dat begrijpt?’

‘Niet helemaal. Wat is een ‘overval’? Zoiets kennen wij niet op Ptû.’

Peter besloot zich ermee te bemoeien. Zo’n kans kon hij niet voorbij laten gaan. ‘Kapitein, als ik het eens allemaal uitleg aan onze buitenaardse vriend? U heeft uw handen vol op het ogenblik, en uw mensen ook. Ik zal ervoor zorgen dat meneer Puuittia in de buurt blijft tot u hem wilt oproepen voor een gesprek.’

Vandulomanolia keek Peter argwanend aan. Hij zou graag op het aanbod ingaan, dat was duidelijk. Maar hij begreep natuurlijk ook heel goed dat Peter dit niet belangeloos voorstelde. Er was echter inderdaad verschrikkelijk veel te doen en de politieman kon de ptuui toch niet in zijn eigen sop laten gaar koken. Het beest had tenslotte zelf ook de nodige schade opgelopen. Lijfelijk, maar ook materieel van zijn handelsmissie was niet veel meer over.

Maar aan de andere kant kon Peter zien dat de man er niets voor voelde dat een amateur zich ermee ging bemoeien. Trouwens, het zou niet gek zijn als hij Peter ervan verdacht dat die hier ook iets mee te maken had. In dit stadium kon Vandulomanolia voorlopig maar beter niemand vertrouwen. Zeker niet iemand die nog maar een paar weken geleden op Palbunts Verdriet was aangekomen, met hetzelfde schip als de ptuui...

Het gepieker van de kapitein werd onderbroken door een gil, meteen gevolgd door opgewonden geroep. Een agent kwam aangerend. ‘Kapitein!’ hijgde hij. ‘De boormollen! De boormollen zijn ontsnapt!’

Vandulomanolia vloekte en rende naar de plaats waar de gil vandaan gekomen was. Een rond gat, bijna een meter in doorsnede, leidde naar een gang die vlak onder het wegdek liep. Twintig meter verderop klonk er weer een gil: iemand was plotseling door de grond gezakt. Nu klonken er van alle kanten kreten. Een klein gebouw stortte in, grote gaten verschenen in de muren van gebouwen en in het wegdek, mensen renden naar hun huizen om wapens te halen. Boormollen hadden in het begin van de kolonisatie ook deze buurt onveilig gemaakt, maar ze waren al tientallen jaren geleden uitgeroeid op het eiland waarop de hoofdstad stond. Veertig van die beesten vrij gravend, borend (en parend!) in en onder de hoofdstad was een catastrofe. Vergeleken daarbij was de bankroof maar een klein ongemakje. Peter en Puuittia waren helemaal vergeten.

Maar Peter kreeg de kans niet waarop hij had gehoopt. Zonder een woord te zeggen keerde de ptuui zich van hem af en schuifelde op zijn onhandige manier, vermoedelijk behoorlijk gehinderd door de een of andere beschadiging van zijn loopvliezen, naar de onbeschadigde zijkant van zijn grote warenhuis.

Peter keek hem peinzend na, in het flakkerende licht van de vlammen die nog steeds uit de ontplofte panden opstegen. Er was iets geweest dat hem niet zinde, maar al piekerde hij zich suf, hij kon niet bedenken wat dat was.


5

Vandulomanolia was een efficiënt politieman. Het feit dat de bewoners van de hoofdstad zonder uitzondering sterk gemotiveerd waren om hem te helpen de boormolplaag te bestrijden hielp natuurlijk ook. In elk geval waren vrijwel alle ontsnapte dieren binnen vierentwintig uur gedood. Puuittia had daar heftig tegen geprotesteerd; het waren zijn dieren, stelde hij. Men moest proberen hen levend te vangen. Toen de kapitein hem erop wees dat hij verantwoordelijk gehouden kon worden voor de schade die zijn dieren hadden aangericht floot hij een toontje lager, maar de verhouding met de anderling bleef bepaald koel.

Het oplossen van de bankroof verliep minder vlot, al had het er in het begin naar uitgezien dat het nog mee zou vallen. Ondanks het vroege ochtend-uur waren er veel mensen op straat geweest. Mensen die van andere werelden kwamen en er een verschillend bioritme op na hielden waren toch al wakker, en er waren ook een heleboel mensen geweest die onmiddellijk na de grote klap in de kleren geschoten waren om te gaan kijken naar de oorzaak. Deze getuigen meldden iets opmerkelijks. Er waren enkele minuten na de explosie minstens negen hoverwagens geweest die zich met grote snelheid van de plaats des onheils verwijderd hadden. Allemaal een andere richting op; het zat er dik in dat een van die voertuigen het goud van de bank verwijderd had en dat de andere wagens als afleiding moesten dienen. Maar welke hoverwagen was de goede?

Efficiënt speurwerk leidde tot de aanhouding van zeven van de negen chauffeurs en die vertelden allemaal hetzelfde verhaal: iemand had hen benaderd en vijfduizend credits aangeboden als zij vier minuten na het klinken van een harde knal naar een van te voren aangewezen plek zouden vliegen. Daar hoefden zij dan niets anders te doen dan zich een dag of drie gedeisd te houden. Daar was niets strafbaars aan en vijf mille was voor heel wat mensen iets waarvoor zij desnoods hun leven hadden willen wagen. Wat de politie ook probeerde, er viel hen niets anders te verwijten dan stompzinnigheid. Ze hadden kunnen weten dat ze meededen aan iets dat nooit legaal kon zijn. Maar aangezien ze allemaal blijmoedig erkenden dat ze stom gehandeld hadden, maar echt geen idee hadden gehad van wat er gaande was, moest de politie hen laten gaan. Ze bleven natuurlijk allemaal verdacht; pas als kon worden aangetoond wie degene was die er met de buit vandoor gegaan was konden de anderen van de lijst verdachten worden afgevoerd. Maar je kon niet zeven mensen in de cel laten zitten omdat je er bijna zeker van was dat een van hen een misdaad had begaan. En de twee nog niet gearresteerde chauffeurs bleven onvindbaar. Was een van hen nou net degene die de buit had weggevoerd?

Het meest verdacht waren uiteraard aanvankelijk de menselijke assistenten van de ptuui. Maar ten tijde van de bankroof was Jack Vermond in Gouden Kloof geweest, een mijnwerkersdorp zeshonderd kilometer noordwaarts van de hoofdstad, om de jacht op boormollen te organiseren. En Manuel Fabricio had ook een uitstekend alibi: die had zitten zesendertigen met vier als door en door betrouwbaar staande notabelen. Zelfs als de ptuui iets met de roof te maken had (en wat men ook beweerde van zijn geweldloosheid en eerlijkheid, het idee liet kapitein Vandulomanolia niet los) dan moest het wezen een andere bondgenoot hebben. Peter Martinez bijvoorbeeld? Ze waren immers met hetzelfde schip naar Palbunts Verdriet gereisd? Wie weet hoorde die rare romanticus zelf bij de bende!

Peter Martinez had geen alibi. ‘Ik lag gewoon te slapen kapitein, maar in mijn eentje, dus ik kan niks bewijzen. Maar mag ik u er wel op wijzen dat u mij vanaf mijn aankomst hier voortdurend in de gaten heeft laten houden? Hoe zou ik negen mensen hebben kunnen benaderen zonder dat dat iemand opviel? Heeft u trouwens het signalement van degene die de chauffeurs heeft ingehuurd?’

‘Uiteraard. Je hoeft mij niet te vertellen hoe ik mijn werk moet doen. Die contactpersoon is nergens te vinden. We hebben een goed signalement en hij lijkt niet eens op jou. Het is een klein opdondertje, een jongen nog. Ik verdenk jou daar ook helemaal niet van. Maar er is veel meer gebeurd. De bom is geplaatst, die nachtwaker is vermoord, het goud kan nooit in vier minuten in een van de vluchtwagens geladen zijn door maar één persoon... Het is duidelijk dat we met minstens drie, vier mensen te maken hebben en daar kun jij er best een van zijn.’

‘Ik ben nu echt blij, dat u mij vanaf het begin niet op mijn woord geloofde toen ik beloofde dat ik niets clandestiens zou doen,’ zei Peter droog. ‘Nu heeft u er zelf voor gezorgd dat ik bijna elke minuut van de dag kan aantonen wat ik deed.’

‘Maar niet wat je die nacht gedaan hebt,’ antwoordde de politieman grimmig. ‘Toen je naar bed ging is je schaduw ook vertrokken. Ik heb niet genoeg mensen om iedereen de Godganse dag in de gaten te laten houden. Er is dus voor jou geen alibi vanaf 23.05 uur tot het ogenblik van de ontploffing.’

Peter zuchtte. ‘Dat is jammer... Maar als ik het goed begrijp is er niet iets speciaals waarvan u mij verdenkt?’

Vandulomanolia knikte zwijgend. Peter ging verder, ‘Kapitein, als mocht blijken dat ik niets met deze zaak te maken heb, en als ik op de een of andere manier kan helpen haar op te lossen, wilt u mij dan een vergunning geven voor een praktijk als privédetective?’

‘Wat!’ Vandulomanolia liep rood aan en stond op, zijn vuisten gebald op het bureaublad. ‘Wil jij van deze ellende nou ook nog gebruik maken voor je eigen pathetische plannetjes? Rot op, man! En blijf in de stad, ik ben nog lang niet met je klaar!’


6

Peter lag languit op zijn bed na te denken. Over vijf dagen zou de sterrenvaarder Sagittarius, op weg van Mazzeltov naar Grote Schijf, een tussenlanding maken op Palbunts Verdriet. Als er tenminste niet iets met de planning veranderd was; het was soms lastig om ergens op te rekenen wanneer er zich van alles in het heelal kon afspelen zonder dat je er iets van hoorde. Het scheen dat de zassonen via ultra-radio-verbindingen voortdurend contact met elkaar hadden, maar zover was de menselijke technologie nog niet.

Hij was benieuwd hoe de bende het geroofde goud wilde wegsmokkelen. Het moest toch al gauw om zo’n zeshonderd kilo gaan en het nam natuurlijk ook behoorlijk wat ruimte in. Hij greep naar de visiofoon. Al die bezoeken aan kroegen en de vele rondjes waaraan hij zijn schamele inkomen had besteed, zouden nu misschien hun vruchten gaan afwerpen! Een blonde man met een (ongetwijfeld geverfde) zwarte snor verscheen op het scherm.

‘Archie? Zin in een avondje gratis drinken?’

Een brede grijns. ‘Archie wel!’

‘Moet je horen. Ik heb een zo compleet mogelijke lijst nodig van alles wat er straks meegaat met de sterrenvaarder naar Grote Schijf. En ik zou het prettig vinden als niemand weet dat ik erom gevraagd heb.’

Archie tuitte zijn lippen, het bleef even stil. ‘Die lijst heb ik net voor de politie opgesteld. Peter, jongen, je gaat je toch nergens mee bemoeien?’

‘Ik? Welnee! Maar ik mag toch wel nadenken over bepaalde dingen? En om goed te kunnen nadenken heb ik informatie nodig.’

‘Nou ja, mij een biet.’ Het hoofd verdween korte tijd van het scherm. Door het grote raam waarvoor Archie had gezeten, zag Peter een grote verlaten betonnen vlakte met zwartgeblakerde gedeelten. Sterrenvaarders moesten met conventionele aandrijving van een planeet vertrekken. Pas anderhalf miljard kilometer in de ruimte mocht de Lewin-aandrijving worden ingeschakeld.

Archies hoofd blokkeerde het uitzicht weer. ‘Klaar om te noteren?’

Peter hield zijn recorder voor het scherm en knikte.

‘Zeven containers met lazuli-extract.’ Archie smakte met zijn lippen. ‘Goed voor drie en een half miljoen glazen lazulisap... Maar goed, wat verder? Vijf containers harmonicahout, zes met staalbomen en maar liefst vier met sponskurkstammen.’

Peter fronste, Archie glimlachte verontschuldigend. ‘Ja, ik weet dat het hard gaat. Op die manier zijn we over dertig jaar onze beste bron van inkomsten kwijt. Maar ík maak niet uit wat er gekapt wordt, Peter. Ik ben maar een eenvoudige verlader.’

‘Ga maar verder,’ zei Peter. ‘Misschien dat ik me in de toekomst nog eens met die corruptie mag bemoeien. Voorlopig zal ik dat nog maar niet doen.’

‘Als Vandulomanolia ermee te maken heeft zal je het nooit mogen, jongen. Maar oké, daar gaat het nu niet om. Verdere lading: drie containers met de volledige inboedel van de familie Minkaropatuliam.’

‘Wat!?’

De Minkaropatuliams... Peter had de oudste zoon van de familie, Fjodor, een keer meegemaakt. In een van de betere kroegen in de stad had hij staan drinken met een aantal vrienden, die uiteraard ook allemaal uit gegoede kringen kwamen. Allemaal jongelui met zevenlettergrepige achternamen. Je zou zeggen dat zulke lieden alles meehebben, had hij gedacht. Waarom moet zo’n joch dan toch zo opscheppen? Overal was hij geweest, had hij verteld. Mazzeltov, Woelrat, Grote Schijf, Vishnu... En allemaal met pa’s sterrenjager. Die hoefde het niet te hebben van de schamele transporten via de reguliere lijnen.

‘Tja,’ onderbrak Charley zijn gedachten. ‘Het schijnt dat de ouwe Minkaro zijn schaapjes op het droge heeft en nu ergens anders wil gaan rentenieren. Nueva Esperanza geloof ik. Van mij krijgt hij geen ongelijk. Ik denk dat de politie die inboedel maar beter goed kan onderzoeken. In die containers kun je een boel goud verstoppen.’

‘In de containers met hardhout ook,’ grijnsde Peter. ‘De politie gaat het nog druk krijgen. Wat is er nog meer?’

‘Vier kleine containers met stimiakristallen van Mazzeltov. Die heeft de Magnolia II hier een jaar geleden achtergelaten om ruimte te maken voor lading die meer haast had. Ik zal blij zijn als ik eindelijk van dat spul verlost ben. Kostbare lading, stimia. Ik ben een jaar lang bang geweest voor een roofoverval.’

‘Als de politie die ook moet onderzoeken kunnen ze dat maar beter met dubbele mankracht doen. Om de onderzoekers in de gaten te houden. Een stimiakristalletje meer of minder zou niet opvallen en een agent verdient niet veel.’

Archie schudde zijn hoofd. ‘Die containers zijn vanaf het begin verzegeld geweest. Nou, dat was het, Peter. De rest van de laadruimte is gereserveerd voor Puuittia.’

‘Wat!?’ riep Peter weer. Verrassing na verrassing! ‘Die zou pas over een maand of vijf vertrekken, met een ptuuischip dat hem komt ophalen! Dat beest haat onze schepen!’

‘Kan best zijn, maar hij haat het hier nog meer. De politie vertelde me dat hij zich hier sinds de roofoverval eergisteren nog veel slechter thuis voelt dan ervoor. Die naakte agressie, bommen, moorden... En daar bovenop nog de vernedering dat de politie hém een beetje blijft verdenken! Hij heeft alle jagers opdracht gegeven in de vijf dagen die er nog over zijn, zoveel mogelijk boormollen te vangen. Ze worden meteen naar een container gebracht die hier op de haven klaar staat. Hij mag ze van Vandulomanolia niet meer in de stad opslaan. Ik kan het me voorstellen...’

‘Maar de vraag is: kan Puuittia het zich voorstellen? Ptuui’s laten niet graag voor zich bepalen wat wel mag en wat niet.’

‘Oh, hij accepteert het wel. Hij ging ermee akkoord, op voorwaarde dat al die beesten eerst door hem gekeurd konden worden. Daar had hij geheimzinnige technieken voor die in het gedeelte van zijn handelspost opgeslagen zijn, dat niet door de bom vernield is. Niemand mag bij die tests aanwezig zijn. Ptuui’s schijnen er erg op gebrand te zijn dat wij mensen niets van hun biotechnologie kunnen leren. Nou, en als hij een boormol akkoord verklaard heeft wordt het beest linea recta naar de haven toegebracht. Maar het schijnt de ptuui doodzenuwachtig te maken. Hij stuurt Vermond en Fabricio een paar keer per dag naar de container op de ruimtehaven om te controleren of de boormollen nog leven. Zij vinden het zelf belachelijk, maar ja: de mens wikt, de ptuui beschikt.’

Peter hoorde het laatste nauwelijks. Hij bedankte zijn vriend afwezig en drukte de visiofoon af. Nog vijf dagen...


7

‘Morgenochtend arriveert de Sagittarius, kapitein,’ zei Peter. ‘En morgenavond gaat-ie weg. Heeft u het goud al gevonden?’

‘Natuurlijk niet. Als ik het had zou iedereen het weten.’ De politieman zuchtte en krabde in de haren van zijn achterhoofd. ‘Ik heb alle containers laten onderzoeken,’ bekende hij. Het leek erop, dat hij zo begon te twijfelen aan een goede afloop dat hij nu zelfs Peter in vertrouwen wilde nemen. Even overwoog Peter het ijzer te smeden nu het heet was en de kapitein zijn hulp aan te bieden op voorwaarde van een vergunning. Maar de kans was te groot dat de politieman daar razend door zou worden, al was het alleen maar vanwege de vernedering als hij hardop moest erkennen er niet zelf uit te komen. Hij knikte zwijgend en keek belangstellend om Vandulomanolia aan te moedigen tot verdere ontboezemingen.

‘Allemaal, behalve die van de ptuui. Diplomatiek onschendbaar heet dat. Alleen al de suggestie dat hij misschien van plan is misbruik te maken van ons vertrouwen heeft hem diep beledigd. Alle rapporten die met de Vliegende Eend zijn meegekomen zeggen hetzelfde: “Handen af van anderlingen! Irriteer hen vooral niet!” En dat, terwijl ik er steeds meer van overtuigd raak dat hij er iets mee te maken heeft.’

‘Die regelmatige bezoeken van Vermond en Fabricio aan de container, kapitein. Heeft u hen ooit onderweg laten fouilleren?’

‘Ja, natuurlijk. Niks gevonden uiteraard, anders was ik er al uit.’

‘En de kooien met die monsters?’

De kapitein zuchtte weer. ‘Die niet. Levensgevaarlijk, zo’n beest van dichtbij te benaderen. Tien tegen een dat Puuittia in elke kooi een staaf goud verstopt heeft tijdens zo’n ‘keuring’, en dat de hele buit inmiddels op verscheping ligt te wachten.’

Peter besloot dat hij het er nu toch maar op moest wagen. De politiechef zat zo vast, dat Peter misschien nooit meer zo’n kans zou krijgen. Maar het was een gok. ‘Kapitein? Ik denk dat ik u wel kan helpen. Enne... niemand hoeft dat te weten als u dat liever niet hebt. Voelt u iets voor een kleine vriendendienst over en weer?’

De politieman keek Peter aan met samengeknepen ogen. ‘Weet jij iets dat je niet aan de politie hebt verteld? Als je op zo’n manier probeert aan die verdomde vergunning te komen kan jij morgen ook mee met de Sagittarius.’

‘Nee, nee!’ protesteerde Peter haastig. ‘Ik weet niets meer dan u, kapitein. Maar ik heb een idee, op basis van alles wat u zelf ook weet. Ik ben bereid mijn toekomst hier op Palbunts Verdriet ervoor op het spel te zetten. Als ik ongelijk heb, vertrek ik morgen en heeft u nooit meer last van mij. Als ik gelijk heb, lost ú officieel deze misdaad op en krijg ik mijn vergunning. Doet u mee?’

De kapitein aarzelde niet langer. ‘Vertel maar op.’

Peter grijnsde. Dit was zijn moment, hij zou er net zo van genieten als Sherlock Holmes en Darla Vinlong in zijn favoriete romans altijd deden. ‘Ik denk dat ik alles het beste duidelijk kan maken als u even met mij meegaat, kapitein. Een bezoekje brengen aan onze buitenaardse vriend. En misschien is het een goed idee als er een aantal van uw mensen met ons mee gaat.’


Aan de kant van de handelsmissie die het verst van het bankgebouw was, bevond zich een zijdeur die toegang gaf tot een bijna lege gang. Tegen een muur lag het lijk van een boormol. Op de schoften en de heupen van het dier zaten grote, zwartgeblakerde wonden. Ze hadden geen tijd daar verder aandacht aan te besteden en liepen snel verder. Aan de andere kant van de gang gaapte de opengebarsten muur; door dat gat keek je meteen de diepte van de krater in. Maar er waren in het niet teveel beschadigde gedeelte van het gebouw toch nog een aantal ruimten die intact gebleven waren; het was, zoals gezegd, een groot gebouw geweest. Vrij veel kooien met boormollen en bakken staakwier hadden de explosie overleefd. Die waren meteen naar de ruimtehaven afgevoerd.

De kapitein gaf zijn mannen opdracht boven in de gang te blijven wachten. ‘Als er gedonder komt horen jullie dat vanzelf,’ zei hij. ‘En dan mogen jullie je ermee bemoeien.’ Toen ging hij Peter voor over de lange aflopende band die naar de kelder leidde. Hij was hier al eerder geweest. Normaliter zouden ze door de assistenten van de ptuui vergezeld zijn, maar Jack Vermond was op de ruimtehaven, weer eens controleren of de dieren nog wel leefden, en Manuel Fabricio was op werkbezoek naar een van de jagerskampen. Daar had men de laatste tijd niet meer zoveel gevangen en de ptuui begon ongeduldig te worden: het was de laatste dag waarop hij zijn voorraad nog kon vergroten.

De ptuui had hen kennelijk al horen aankomen. Het wezen zat in een lauwwaterbad, de kant met het oog gericht op de loopplank.

‘De politie? Alweer... Ik begin er echt genoeg van te krijgen, kapitein Vandulomanolia. Wat is er nu weer aan de hand?’

Peter keek even naar de politiechef; die knikte kort. Peter was aan zet.

‘Wij komen deze keer niet om van alles aan u te vragen, meneer Puuittia,’ zei hij, naar voren stappend over de soppende ondergrond. ‘Ik ben dokter; men heeft mij nu pas verteld dat u bij de ontploffing gewond geraakt bent. Ik kan zien dat u uw voortentakel niet kunt bewegen. Dat ding moet misschien verzorgd worden. Laat mij maar eens kijken.’

Al sprekende was hij tot vlakbij het wezen gekomen, dat echter volstrekt geen prijs leek te stellen op zijn hulpvaardigheid. Het hief zwaaiend zijn twee zijtentakels op, en sputterde: ‘Ga weg! Waar haalt u de euvele moed vandaan, mij ongevraagd te naderen! Ga achteruit, ik waarschuw niet langer!’

Maar Peter was nu dichtbij het wezen aangekomen en kon de tentakel die het dichtste bij zijn hoofd zwiepte grijpen. Even keek hij naar de punt ervan, hij was toch nog niet honderd procent zeker van zijn zaak. Maar toen hij die punt zag wist hij dat hij goed geraden had. Hij trok de tentakel hard naar zich toe – het ding leek opmerkelijk weinig kracht te hebben om dat te verhinderen – en zag tot zijn schrik dat de lange sliert losscheurde van het kegelvormige lichaam. Hij had erop gerekend de kegel te kunnen omtrekken; nu zou hij snel moeten zijn want misschien zouden er wapens tegen hem gebruikt worden. Hij gooide zich met al zijn kracht tegen de kegel aan en nu viel die gelukkig om. Tussen de vier loopvliezen staken twee kleine mensenbeentjes onder de basis van de kegel uit. Peter greep ze beet en trok zo hard als hij kon, tot een klein, jongensachtig mensenlichaam uit de kegel gleed: een dwerg. In een van zijn handen hield hij een laserpistool, maar Peter had zo snel en onverhoeds gehandeld, dat zijn tegenstander er geen gebruik van had kunnen maken.

De kapitein snelde toe en de kleine crimineel werd snel ontwapend. Toen de op het gestommel van de worstelpartij toesnellende agenten beneden waren aangekomen was alles al voorbij.

De kapitein had zich inmiddels hersteld van de onverwachte gang van zaken. ‘Armand Bouvier, mijne heren!’ zei hij met veel bravoure. ‘Een kleine man misschien, maar een groot misdadiger. Hij wordt gezocht op minstens drie planeten.’

Daarna weigerde hij ieder commentaar. Met name wees hij elk verzoek af, uit te leggen hoe hij had geweten dat de ptuui namaak was geweest. ‘Ik zal straks een persconferentie geven,’ verklaarde hij gewichtig. ‘Dan zal ik alles uit de doeken doen.’


8

‘Wat een gotspe!’ zei de kapitein. ‘Misbruik maken van de angst die iedereen voor die kleine kegels heeft!’

‘Niet alleen van de angst, kapitein. Ook van hun reputatie van geweldloosheid, betrouwbaarheid en arrogantie.’ Peter kon het niet laten, de politieman een beetje te jennen met zijn goedgelovigheid. ‘Hoe kwam het toch dat u het zelf niet zag? U bent de eerste dag al bij hem op bezoek geweest.’

Vandulomanolia haalde zijn schouders op. ‘Niemand heeft zo’n beest ooit horen praten. Bouvier kon gemakkelijk de indruk van een ptuui-accent oproepen met dat fluitje in zijn mond. Het zal niet echt goed geklonken hebben, maar wie kon dat hier weten? Toen de berichten over de ptuui’s werden opgesteld waren er in totaal nog pas twee mensen die een ptuui zelf hadden horen praten! En hij kon die twee zijtentakels heel aardig manipuleren, moet ik zeggen. Ik ben ook geen ogenblik voldoende dicht bij hem geweest om te kunnen zien dat er helemaal geen zuignapjes aan het einde zaten. Ik vind het niet zo gek dat niemand er iets van door kreeg. Hoe heb jij het ontdekt?’

‘Ik begon er al iets van te vermoeden toen ik hem vlak na de bankroof sprak. Niet meteen, maar toen ik daarna wegliep, en me realiseerde dat ik al die tijd mijn laserpistool op zak gedragen had. De ptuui vond het toch nooit goed dat iemand zijn wapen op zak hield als hij hem wilde bezoeken? Toen bedacht ik dat alle politiemensen in de buurt dat ook gedaan hadden en zo’n tachtig procent van de mensen in het publiek. Er zit veel metaal in zo’n pistool. En ook in de hoverwagens die in de buurt geparkeerd stonden. Maar dat was niet echt dichtbij. De wapens van u en van mij wel. Puuittia had op geen enkele manier laten merken dat hij last had van die dingen. Weet u, voor iemand van uw wereld is het dragen van een wapen zo natuurlijk dat u er niet bij stilstond dat u het deed. Voor mij is het nog steeds een wat ongewoon gevoel, zo’n dikke bobbel in mijn zijzak. Toen werd ik dus argwanend. Ik ben eens gaan navragen wat men die ptuui eigenlijk allemaal had zien doen. Kapitein, toen u hem opzocht, welke lichaamsdelen heeft u toen van hem zien bewegen?’

De kapitein knikte peinzend. ‘Niet zoveel, nu je het zegt. Hij zat in een van die lauwwaterbadjes, zijn vinnen heb ik al die tijd niet gezien; hij had ze ook niet nodig. Zijn voorhoofdtentakeltjes bewogen wel steeds, maar van zijn lange tentakels alleen de twee aan de zijkanten.’

‘En toen hij een keer liep, vlak na de overval, toen waggelde hij zo onhandig dat het iedereen is opgevallen. Maar natuurlijk dachten we dat dat door de explosie kwam. Die tentakeltjes horen overigens niet voortdurend te bewegen, kapitein. Alleen als er een of andere emotie is die ermee moet worden uitgedrukt, en ook niet steeds op dezelfde manier.’

‘Blijf ik zitten met de vraag hoe de drie rovers het goud zo snel uit de kluis konden krijgen.’

‘Helemaal niet snel, denk ik. Ze hadden dagenlang de tijd om met de uit voorraad leverbare boormollen een verbinding aan te leggen tussen hun kelder en die van de bank. Klopt het, dat een boormol zelfs door staalplaat heen kan dringen als hij er de tijd voor neemt?’

De kapitein knikte. ‘Dat verklaart waarom het niet ontdekt is dat ze daar bezig waren. Er zijn massa’s metaaldetectoren in het gebouw van de bank, dus wie er met een boor aan de gang wil wordt meteen gepakt. Maar die mollen zijn niet van metaal. Overigens, hoe kregen ze die mollen zover dat ze zich braaf in de goede richting lieten sturen, ik dacht dat die beesten niet te temmen waren?’

‘Wel, als je weinig scrupules hebt... Herinnert u zich dat kadaver in de gang met die schroeiplekken? Ik vermoed dat ze zo’n beest een harnas omdeden dat plaatselijk gloeiend heet kon worden gemaakt wanneer ze het beest van richting wilden laten veranderen. Voordat een boormol zich laat sturen zal je het behoorlijk pijn moeten doen, maar daar zullen ze geen bezwaar tegen gehad hebben. Maar goed, op die manier hebben ze op hun gemak een verbindingsgang laten graven. Nadat de bank om vijf uur sloot op de avond voor de overval, zijn ze definitief doorgebroken, vermoordden de bewakers, verwijderden al het goud en verstopten dat in de kooien van de boormollen. Toen zijn Jack Vermond en Manuel Fabricio vertrokken om te zorgen voor hun alibi’s. Het was zo’n sterke bom dat ze daarmee alle sporen van hun eerdere werkzaamheden konden uitwissen. Het kaartavondje was al uren aan de gang toen de bom ontplofte en Fabricio arriveerde in de mijnstad ongeveer op het ogenblik dat hier de boel uit de hand begon te lopen.


Continue reading this ebook at Smashwords.
Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-27 show above.)