Excerpt for Waaraan denkt u? by Django Mathijsen, available in its entirety at Smashwords

Waaraan denkt u?


By Django Mathijsen


Cover: Anaïd Haen


Cover photo: Django Mathijsen


Published by E-publikant at Smashwords


Copyright 2011 Django Mathijsen




Smashwords Edition, License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of these authors.



Smashwords Editie, Licentie

Dit e-book is uitsluitend voor uw persoonlijke plezier. Dit e-book mag niet worden doorverkocht of doorgegeven aan iemand anders. Als u dit boek wilt delen met iemand anders, dan koop alstublieft een extra exemplaar voor elke ontvanger. Als u dit boek leest en u hebt het niet gekocht, of het was niet gekocht voor uitsluitend uw gebruik, dan ga alstublieft naar Smashwords.com en schaf uw eigen exemplaar aan. Dank u voor het respecteren van het harde werk van deze auteurs.





Waaraan denkt u?


De schapen graasden zwijgend in de wei achter het spoor. Achter hen kwam een waterig zonnetje op.

Geeuwend trok ik mijn colbertje recht. Ik rilde. Mijn wekkerradio had beweerd dat het een zomerse dag zou worden. Vooralsnog vulde vochtige kou mijn longen.

Een schaap keek me aan, haar blik even ongeïnteresseerd als die van de mensen op het perron.

Ik kende iedereen. Elke ochtend forensden dezelfde gezichten de stad in. Alsof we het hadden afgesproken, gingen we altijd op minstens drie meter van elkaar staan.

De blonde, langharige jongen, kennelijk een student, leunde altijd tegen de wachtkamer. Ik stond voor het reclamebord. De oudere man in het pak had zijn plek bij de kaartjesknipautomaat. De vrouw in het designmantelpak bij de stationsklok.

Toch kende ik ze niet werkelijk. Nooit hadden we een woord gewisseld.

Soms ontbrak er een. Soms, zoals vandaag, dook een extra reiziger op: een indringer in ons ochtendritueel.

Ik hoorde zijn voetstappen achter me de spoorwegovergang passeren en de helling naar het perron beklimmen. Onrust onder mijn reisgenoten. De vrouw links van me kuchte. De man rechts ritselde in zijn jasje. Ik trok mijn stropdas recht.

De indringer trok met zijn rechtervoet en droeg een versleten leren jack. Zijn lange grijze haren waren ongekamd, zijn kin ongeschoren. Hij bekeek de student van top tot teen. Daarna monsterde hij de vrouw. Hij passeerde beide en kwam op mij af.

Ik keek op mijn horlogeloze pols, klemde het diplomatenkoffertje steviger tussen mijn voeten en dacht: ga die man verderop lastigvallen.

Maar hij stopte voor mij en draaide zich naar me toe. Hij bleef staan met zijn haviksneus nog geen handbreedte van mijn gezicht. Ik rook sigaarlucht.

Hij keek strak in mijn ogen. “Waaraan denkt u?”

Ik slikte. “Wat?”

“Waaraan denkt u?” Hij keek afwisselend in mijn linker- en mijn rechteroog.

Ik haalde mijn schouders op. “Aan niets.”

De man zuchtte, knikte en draaide zich om. Hij liep dezelfde weg terug en verliet het perron. Ik staarde hem na. Mijn perrongenoten deden hetzelfde.

De vrouw wierp me een blik toe, haar lippen opeen geperst.

Ik keek weer naar de kont van een grazend schaap.

Waaraan ik dacht? Ik voelde een denkrimpel in mijn voorhoofd. Eigenlijk dacht ik nooit meer ergens aan. Ja, aan de wekker zetten, aan om twaalf voor zeven op de fiets springen om de trein te halen, aan beleidsvragen, wereldeconomie, bankencrisis, hoe je mensen manipuleert... Maar mijn laatste originele gedachte... Dat moet zijn geweest in het praatgroepje in mijn studententijd.

Ik voelde een glimlach om mijn mondhoeken. Ja, toen had ik zitten discussiëren met mijn studievriend en partijgenoot Simon. Maar wat had ik toen gedacht?

Oké, denk aan iets! Mijn frons verdiepte. Ik voelde mijn hersens meekreukelen. Er wilde me geen gedachte te binnen schieten.

Ik keek om me heen, naar de student, de vrouw, de oude man... Ze stonden nog steeds zoals elke morgen.


“Waaraan denkt u?” vroeg ik aan de oudere man. Ik stond vlak voor hem.

Hij was net zo glad geschoren en gekamd als ik. Geeuwend trok hij zijn colbertje recht. “Het is te vroeg om ergens aan te denken.”

“Hebt u gisteren ergens aan gedacht?”

De man knikte. “Ik moet aan veel denken op een dag. Aan op tijd zijn op de verga...”

“Nee!” Ik draaide me om en liep langs mijn plek, waar mijn diplomatenkoffertje nog stond. De vrouw in de ogen kijkend, vroeg ik: “Waaraan denkt u?”

“Aan niets.” Ze keek me met een boze blik aan. “Waar bemoeit u zich mee?”

Ik liep naar de student en greep hem bij zijn kraag. “Waaraan denk jij?”

“Ben je gek geworden, ouwe lul?” Hij zette zijn handen op mijn borst en duwde me weg.

Ik struikelde achteruit. Een angstrilling door mijn lijf. Ik zag de gele lijn die de perronrand aangaf onder mijn lakschoenen. Met mijn handen probeerde ik mijn evenwicht te bewaren.

Ik hield me overeind en wankelde bij de perronrand vandaan. “Waaraan denkt u?” riep ik.

Achter me hoorde ik de trein het station binnenlopen. De rijwind rukte aan mijn jasje.

De mensen raapten zwijgend hun tassen en koffers op.

Ik keerde me om en zag hen in de trein stappen.

Alleen de conducteur stapte uit. Hij floot.

“Waaraan denkt u?” riep ik hem toe.

“Aan dat we achterliggen op schema.” Hij keek me aan met een blik alsof dat vanzelf sprak en sprong in de trein. Alle andere treindeuren sloten. Hij stak zijn bord op.

Uit mijn ooghoek zag ik een meisje het perron op hollen.

De trein zette zich in gang. Ook de deuren van de conducteur begonnen te sluiten.

Het meisje rende op hem af. De conducteur keurde haar geen blik waardig.

Het meisje sloeg met haar vlakke hand op de gesloten deuren. “Kut!”

Ze wreef door haar haren, keek naar de wegrijdende trein, naar de perronklok, naar mij...

“Waaraan denk jij?”

“Aan mijn vader,” antwoordde ze zonder aarzeling.

“Ja,” riep ik. “Eindelijk iemand! En wat denk je?”

Ze haalde haar schouders op. “Dat ik hem moet bellen om me naar mijn tentamen te rijden. Maar ik ben mijn telefoon vergeten.”

De moed zonk me in mijn schoenen. Ik greep in mijn binnenzak en reikte haar mijn BlackBerry.

“Bedankt, meneer.”

Ik haalde mijn wenkbrauwen op en draaide me om. Aan de andere kant van het perron liep de stoptrein binnen. ‘Scheveningen’ stond op de zijkant. De zee: daar stromen de gedachten uit verre landen binnen.

Ik greep mijn koffertje en sprong in de stoptrein.

“Meneer, uw telefoon!”

Ik keek om.

Ze zwaaide met mijn BlackBerry.

“Hou maar,” riep ik. “Ik heb hem niet meer nodig.”

De conducteur floot.


Mijn lakschoenen zakten weg in het zand. De zon scheen tussen de hoge, rechthoekige gebouwen aan mijn linkerkant door. Ik slenterde langs de branding en keek naar rechts over het water.

“Luister naar jezelf,” fluisterde ik.

“Een euro, meneer,” hoorde ik.

Verschrikt bleef ik staan. Golven rolden op me af. Ik deed een stap erop af. Mijn lakschoenen plensden op het modderige deel van het strand.

“Een euro voor een kop koffie.” De stem klonk achter me.

Ik draaide me om.

Zijn dreadlocks waren zo grijs als zijn huid. Hij staarde me aan.

“Waaraan denkt u?”

“Aan mijn lege maag,” antwoordde de zwerver. Hij opende zijn gescheurde spijkerjasje en legde zijn hand op zijn buik.

Ik zuchtte. “Hier.” Ik reikte hem mijn diplomatenkoffer.

Hij fronste.

“Neem maar, ik heb hem niet meer nodig. Hierin zit geld, maar geen gedachten.”

Hij greep mijn koffertje, klemde het tegen zijn borst en deinsde terug. “Bedankt.” Hij draaide zich om en rende weg door het rulle zand.

Ik draaide me weer naar de branding, deed mijn stropdas los en liet hem in het zand vallen. De knoop van mijn colbertje losmakend, liep ik op de branding af. Ik liet mijn colbertje vallen, mijn hemd, mijn onderhemd...

Ik voelde zonnestralen op mijn rug toen ik mijn broek losmaakte. De branding omhelsde mijn enkels toen ik mijn schoenen uitschopte. Mijn broek, mijn onderbroek... alles liet ik in de branding vallen. Niets mocht er tussen mij zijn en de gedachten die de zee aanvoerde.

Golven omspoelden mijn knieën. Toch kreeg ik nog geen gedachten.

Mijn sokken! Die was ik vergeten.

Ik tilde mijn rechtervoet op en trok aan mijn sok.

Een grote golf kwam op me af. Ik glimlachte. Een golf van gedachten. Hij trok mijn linkerbeen onder me vandaan toen ik mijn rechtersok uittrok. Ik knalde in het water.

Ik hoorde een vrouwenstem achter me gillen.

Het water overspoelde mijn gezicht. Ik voelde een klap tegen de zijkant van mijn hoofd. Plots was alles zwart.


Ik stond op van het ziekenhuisbed.

“Hoe is de hoofdpijn?” Simon reikte me een gele das. Hij droeg er een in dezelfde kleur, de kleur van de partij.

De zijkant van mijn hoofd voelde aan alsof er een drummer een mars op speelde. “Minder.”

“We hebben overal aan gedacht.”

Ik keek Simon verbaasd aan. “O ja?”

Hij knikte. “Die man die jouw koffertje en jasje had, had een strafblad van hier tot Tokio. Een zwerver die in marihuana en heroïne heeft gedeald. De politie is ervan overtuigd dat hij je overvallen en in zee gegooid heeft. Je bent een held. De partij is al drie zetels gestegen in de peilingen.”

Ik knoopte de das om mijn nek terwijl Simon de deur voor me openhield.

“Je weet wat je moet zeggen?” vroeg hij.

“Jazeker.”

Ik liep naar de lessenaar en tikte op de microfoons erachter. Het getik klonk in de luidsprekers.

De zaal leek een schoolklas, allemaal met de handen in de lucht. Alleen zaten er geen kleuters, maar volwassenen met notitieblokjes.

Ik kende ze allemaal. Toch kende ik ze niet werkelijk. Ofschoon we vaak woorden hadden gewisseld, vertelde ik hen nooit iets.

Ik wees naar de vrouw vooraan, bukte naar de microfoons en sprak: “Waaraan denkt u?”


Download this book for your ebook reader.
(Pages 1-9 show above.)